Sinterklaas blijft een zomer over

Geschreven door Henriëtte van Eyk (1897-1980)
Geïllustreerd door Wim Bijmoer (1914-2000)
N.V. Querido's Uitgeversmij - Amsterdam
Tweede druk, 1948

De eerste druk verscheen in 1940 en werd geïllustreerd door Ruscha Wijdeveld.

Korte inhoud:
Als Sinterklaas in de zomer in Spanje aan de kinderen in Nederland denkt, is hij zo nieuwsgierig hoe de kinderen in de zomer het maken, dat hij met Zwarte Piet en zijn Schimmel naar Nederland vertrekt. In een pensionnetje aan zee,"De Golfklots" geheten, dat in het dorp Hondwijk ligt, neemt hij zijn intrek. Hij noemt zich Philippos Carlos en denkt dat niemand weet wie hij werkelijk is. Doch, vanuit Spanje zijn het bruinzwarte hondje, de kleine grijze kat, de hommel en de tor meegekomen en zij vertellen aan de distel, die voor het pension staat, wie meneer Carlos in werkelijkheid is. De distel vertelt het op zijn beurt aan mevrouw Pudding, die de baas is van het pension, en aan Josientje, de dochter van de vuurtorenwachter. Ook het vervelende jongetje Hadewyn woont in het pension. Als hij er achter komt wie meneer Carlos in werkelijkheid is, vertelt hij het geheim aan iedereen. Maar iedereen doet alsof ze van niets weten om Sinterklaas niet in verlegenheid te brengen.
Op een dag, als Sinterklaas in zee bijna verdrinkt en op het nippertje gered wordt, vertelt hij zelf dat hij Sinterklaas is en besluit hij een groot feest te geven voor de goeie kinderen. Zwarte Piet moet uitzoeken welke kinderen goed zijn en welke een roe moeten krijgen. Het jongetje Hadewyn schrikt als hij dit hoort. Hij is immers een luistervink, dus hoort hij bij de boze kinderen. Hij richt nu de Bond van Boze Kinderen op, waar 23 kinderen lid van worden. Zij behoren tot de leugenaars, de klikspanen, de snoepers, de te-weinig-eters, de te-laat-naar-bed-ganers, de brutalerds, de huilebalken en de luistervinken.
Op de dag van het feest, ontvoeren zij Sinterklaas en zetten hem gevangen in de hut van Jan Raap, een lelijke worteltjesdief. Iedereen, ook de dieren, gaat nu op zoek naar Sinterklaas en als ze hem uiteindelijk vinden, dankzij de speurneus van het hondje, wordt er voor de goeie kinderen een pannekoekenfeest gehouden. De boze kinderen krijgen voor straf een jaar lang niets op hun brood. De dieren voelen zich verwaarloosd, zij waren het immers die het spoor van Sinterklaas met hun speurneuzen gevolgd hadden. Zij willen ook een feest!!
Als Sinterklaas dit hoort, geeft hij ook een groot feest voor de dieren, midden in het bos. Alle dieren worden opgehaald in een auto en ze krijgen lekker eten en drinken. Nu is iedereen tevreden!

Fragment uit het boek:
Eerst ging de afdeling van de grote mensen door het duinhekje, daarna Zwarte Piet met de kinderen en de dieren. Mevrouw Pudding gaf iedereen een stok met een rood lampionnetje. De kapitein had een grote doos lucifers en stak de kaarsjes aan. Steeds meer rode lichtjes dansten door de duisternis.
"Bij elkaar blijven!" riep Zwarte Piet. Hij hield zijn lampion hoog boven zijn hoofd en overzag de stoet, die zich achter hem had gevormd.
"Een, twee, drie. We gààn!"
Voorzichtig, schuifelend door het zand, daalden ze het smalle pad, dat langs de botjesdrogerij voerde, af. Bij de plaats, waar overdag de geit aan het lange touw stond, passeerden ze de grote mensen met den detective, die blijkbaar moeilijkheden met de voetsporen had en op zijn knieën verbijsterd naar de grond zat te turen.
"Niet lachen, kinderen," waarschuwde Zwarte Piet. "Wie die meneer uitlacht, krijgt een draai om z'n oren."
De kinderen schuifelden verder. Een lange rij rode lichtjes slingerde zich door de duinen, die nu groenigblauw zagen in het schijnsel van de volle maan.
Niemand sprak. Je hoorde alleen het ruisen van de zee en de snuffelneus van het hondje, dat met zijn kop vlak langs de grond, voorop liep, naast Zwarte Piet.
Achter het hondje kwam de grijze kat, die op haar rug een grote biefstuk meedroeg, in geval Sinterklaas honger mocht hebben als ze hem vonden.
De hommel en de tor zwierden almaar in cirkels bòven de biefstuk, om er voor te zorgen, dat geen vreemde nacht-insecten met hun poten aan de maaltijd van Sinterklaas konden komen.
Achter de biefstukgroep kwamen dan de kinderen, terwijl de stoet gesloten werd door Schimmel met de schoen.
"Lopen we goed, hondje?" vroeg Zwarte Piet zo nu en dan, en het hondje flapperde met z'n oren: best hoor!, en het snoof en het snoof: "Sinterklaas is hier voorbij gekomen. Nu linksaf langs het aardappelveldje.... Rechtuit..... Rechtuit. In de richting van het bos...." Met zijn neus tussen de helmpruikjes zoekend, speurend naar de oude, bekende geur, de geur van hars en speculaas, van wierook, anijsmelk, naftaline en dennenaalden.... Sinterklaas was ver van huis gedwaald, heel erg ver.....

Michiel

De geschiedenis van een mug

Geschreven door Henriëtte van Eyk, (1897-1980)
Met 34 illustraties van Ruscha Wijdeveld, (1912-2004)
N.V. Em. Querido's uitgevers-Maatschappij - Amsterdam
Derde druk, 1948
Druk: N.V. Drukkerij G.J. Thieme - Nijmegen
Eerste Druk 1940

Korte inhoud:
Michiel was een mug in een blauw matrozenpakje. Zijn zusjes Anietje en Anetje droegen roodkatoenen schortjes en hielpen moeder Margriet het muggenhuis aan kant te houden, dat overgrootvader eigenpotig had gebouwd tussen twee richeltjes van een grote gebeeldhouwde kast. De muggen woonden in het huis van de oude mevrouw die een zwarte japon droeg, die versierd was met wel 200 kleine gitten knoopjes. Vader Simeon was dirigent van de muggenzangvereniging "Gonskunst".
Omdat hij de hele winter muziek wilde studeren, besloot de muggenfamilie deze winter op aarde in hun muggenhuis te blijven en niet zoals de muggen altijd deden naar "Groot Gonzië", een warm land, bovenop een grote, witte wolk, dichtbij de zon, te trekken. Alle muggen vinden het prettig in Groot Gonzië, maar tegen de zomer wordt de muggenkoning, Jengeljang de Grote, moe en stuurt z'n onderdanen weer terug naar beneden.
Michiel en zijn zusjes zijn blij dat ze deze winter op aarde zullen blijven, want nu zullen ze Sinterklaas zien en het Kerstmannetje en ze zullen oliebollen bakken met Oudejaar! Moeder Margriet vindt het minder fijn, want nu kunnen de kinderen niet naar school in Groot Gonzië en vooral voor Michiel is dat niet goed, want zoemen en bijten kan hij nog steeds niet goed. Ze besluit de hulp van een dame-mot in te roepen, die de kinderen les moet geven in beleefdheid en Frans.
Die winter beleven de muggen vele avonturen. Zo wordt Michiel opgezogen door de stofzuiger en nog net op tijd uit de stofzuigerzak gered door de dame-mot, verschijnen er twee wespen in huis, de rover Foetsjiefang en zijn vrouw Faseliene en ontmoeten ze Sinterklaas, die geprobeerd heeft een chocoladeletter door hun schoorsteen te gooien, waardoor de schoorsteen kapot ging. Michiel mag nu Sinterklaas gaan helpen, door samen met Piet de cadeautjes voor de insecten te gaan rondbrengen. Als dank krijgt hij van koning Jengeljang een zilveren dasspeld.
Na Sinterklaas krijgt Michiel een brief van koning Jengeljang, waarin hij hem verzoekt Vadertje Tijd van de trein af te halen en hem te vragen voortaan de winter over te slaan. Na de zomer, lente en herfst, moet het meteen weer lente worden, zodat de muggen altijd op aarde kunnen blijven. Vadertje Tijd voelt hier wel voor. Hij zal de maanden december, januari en februari voortaan laten vervallen.
Doch dan krijgt hij te maken met het Kerstmannetje, die het er niet mee eens is dat het kerstfeest zal verdwijnen, want immers alléén met Kerstmis zingen de mensen van VREDE op aarde en met die VREDE ging het nu juist niet goed op aarde. Bovendien zal het toch nooit kunnen, omdat de zon zich niets aantrekt van wat Vadertje Tijd wil. De zon komt niet op omdat de haan kraait, doch de haan kraait als de zon opkomt! Dat wordt bewezen door de haan in het donker op te sluiten, waardoor hij niet kraait als de zon opkomt.
Als koning Jengeljang naar de aarde komt, ziet de oude mevrouw hem en achtervolgt hem met haar vliegenmeppertje. Doch juist als zij wil toeslaan bijt Michiel, voor het eerst van zijn leven, in haar neus! Zo redde hij koning Jengeljang en werd door hem als dank benoemd tot Ridder in de Orde van Malaria.

Fragment uit het boek:
Op de mistletoetakken waren de muggen allemaal rechtop gaan staan. Ze maakten angstige gebaren. "Hierheen, Majesteit!" "Pas op het meppertje! Ze is vlak achter U! Pas op!" De muggenkoning zwierde onhandig om de kerstboom heen. De oude mevrouw zat hem vlak op de hielen.
"Harder, Majesteit! Harder!" Bovenop een witte bes stond Michiel met een vuurrood hoofd van opwinding te schreeuwen. "Harder!!!"
Maar er scheen iets te zijn met den muggenkoning. Hij vloog niet meer zo hard als vroeger. Hij had rheumatische vleugels, en z'n ogen zagen niet meer zo scherp als in z'n jeugd. Hij patste tegen de kerstboomtakken aan, hij bleef haken aan de zilveren draden van de versiering, hij tuimelde een heel eind omlaag, en moest onder in de boom even op een glimmend-rood klokje gaan zitten om uit te blazen.
De oude mevrouw, het vliegenmeppertje dreigend opgeheven in haar magere hand, kwam met zachte, sluipende stappen naderbij. Nog een paar tellen, en dan...
Michiel op z'n witte bes, trilde van woede. Jengeljang was niet langer de grote, machtige koning, hij was een oud, weerloos dier, en hij verkeerde in nood.
"Ik kom! Ik kom!" Met suizelende vaart schoot de kleine muggenjongen uit de mistletoe. Hij viel meer door de lucht dan dat ie vloog. Z'n kopsprietjes, z'n kuifje, z'n blauwe matrozenkraag, alles fladderde en wapperde en woei. Hij stoof regelrecht op de oude mevrouw af.
Tussen de mistletoetakken bij het raam zoemden en bromden en gonsden de insecten van opwinding. "Goed zo! Goed zo! Hou je taai, Michiel!"
De oude mevrouw had het vliegenmeppertje nog een beetje hoger opgeheven. Ze keek met woedende ogen naar de grote mug in de kerstboom, ze mikte....
Wat er toen gebeurde begrepen de mensen niet goed. Ze zagen opeens de oude mevrouw met een wilde zwaai het meppertje weggooien, ze hoorden haar "Au!" roepen, ze zagen hoe ze haar handen voor haar gezicht sloeg, en ze zagen hoe een grote, goudglanzende mug langzaam wegvloog door het open raam...
"Wat is er gebeurd, mevrouw?" riep Vadertje Tijd, het roodpluche tafelkleed, dat op de grond was gegleden, oprapend. "Kan ik U helpen? Wilt U een aspirientje? Is het hoofdpijn, of kiespijn, of oorpijn?"
De oude dame bromde iets onverstaanbaars, ze nam haar handen voor haar gezicht weg. En toen zagen de mensen opeens iets vuurroods, en toen begrepen ze wat de insecten al eerder begrepen hadden: Michiel was, om de oude mug te redden, vol doodsverachting middenop het gezicht van de boze mevrouw gesprongen, en hij had voor het eerst van z'n leven iets gedaan, dat z'n ouders al zo lang, en zo vurig hadden gehoopt dat ie eens doen zòù: hij had gebèten! Hij had de nijdige, moordzuchtige mevrouw gebèten, bovenop het puntje van haar neus.....


Jengeljang, de muggenkoning