Het Sinterklaasboek

Met bijdragen van:
P.F. Bellaart, Mevr. P.J. Cohen - de Vries, Mevr. W.P. Ebbinge Wubben - van Hasselt, Ida Heijermans, Mevr. N. van Hichtum, W.G. van de Hulst, Emmy van Lokhorst
Geïllustreerd door Freddy Langeler
Bandteekening van Jan Wiegman
Uitgever H. Meulenhoff - Amsterdam - 1922

Inhoud:
Toen Sinterklaas klein was en nog wat anders, W.P. Ebbinge Wubben - van Hasselt
Hoe het kwam, dat Sinterklaas Pieterbaas in dienst nam, Meester Bellaart
Het Sprookje van Sint Nicolaas en den Vliegenier, Ida Heijermans
Klaas, W.G. Van de Hulst
Tommie, een Sinterklaasvertelling, Mevr. P.J. Cohen - de Vries
Een Sint Nicolaasdag van Dokter's Mieke, Mevr. N. van Hichtum
Sinterklaasvertelling, "Meneer - Oom", W.G. Van de Hulst

Fragment uit Het Sprookje van Sint Nicolaas en den Vliegenier:
De jongen zag en voelde alleen zijn fiets. Wat die fijn reed op het harde boschpad! Heerlijk om te trappen, te rennen, te vliegen. Hoe kon je op je nieuwe fiets denken aan vader, moeder, grootvader, grootmoeder, oom en kleine, blonde, schattige zusje! Je reed ze weg, gewoon weg uit je geheugen.
De jongen peddelde het bosch uit en was op den weg naar het andere dorp. Daar kon hij nog best heen. En de maan straalde, en de sterren fonkelden, en de jongen vloog, en de heele wereld was voor hem niets dan een heerlijke, nieuwe, glinsterende, vlugge fiets.
Toen kwam er een gedaante aan op den weg, die ging naar het andere dorp. Neen twee waren er. De jongen belde, belde. Wat klonk dat leuk en hard in de stilte van den vriesavond.
Maar de twee gestalten bleven staan midden op den weg.
De jongen belde, belde.
Doch zij weken niet!
Toen moest hij natuurlijk zijn vaart inhouden, want hij wilde zijn mooie, nieuwe fiets niet beschadigen door tegen iemand of iets aan te botsen.
"Waarom gaat u niet uit den weg, als ik bel," zei de jongen boos.
"Houd de lantaarn wat in de hoogte," zei de eene gestalte tot de andere.
En toen scheen er licht op de twee, die stonden en niet weken, - op Sint Nicolaas en zijn zwarten knecht.
"O, bent u het, Sint Nicolaas," zei de jongen alleen.
"Wat een mooie fiets heb jij," zei de oude bisschop.
"Vindt u niet," zei de jongen met schitterende oogen. "Die heb ik vanavond gekregen. En nu rijd ik er maar ineens op. Fijn gaat het!"
"Maar moet je niet naar huis?"
"Ze vinden het thuis goed, dat ik rijd."
"Wil je even een paar pakjes voor ons dragen," vroeg Sint Nicolaas. "Je hebt zoo'n prachtigen bagage-drager."
"Prachtig, vindt u niet?"
En de jongen vond het zoo echt, dat hij den nieuwen bagage-drager ook probeeren kon, dat hij alles er op bond wat hem gegeven werd.
Hij moest echter, wat minder prettig was, naast zijn fiets blijven loopen, want de oude bisschop kon het fietsen natuurlijk niet bijhouden.
"Daar moeten we zijn," wees Sint Nicolaas. "Ga maar alleen binnen," zei hij tot den knecht, "wij wachten wel buiten en kijken door het raam of iedereen tevreden is."
De zwarte knecht ging door de deur, die, zooals het dikwijls in boerenhuizen van kleine dorpen het geval is, niet op slot was. En voor het raam stonden Sint Nicolaas en de jongen, en keken naar binnen, zonder dat zij gezien werden.
"Wat een aardig klein ding," zei de bisschop, "dat kleine meisje daar,"
"Wat is daar nu aan? Mijn fiets is veel mooier!"
"Wat zijn zij blij," lachte Sint Nicolaas.
"Een fiets is toch veel echter," vond de jongen. "Wat heb je nu aan die prullen!"
"Kijk die kleine vent eens gelukkig zijn met zijn spoortje," zei Sint Nicolaas, met oogen, waarin zich de vreugde van het kind weerkaatste.
"Bah," zei de jongen, "zoo'n ding, dat niet echt rijden kan! Ik heb mijn fiets en stap nu maar op. Dag, Sint Nicolaas."
"Geef mij eerst je hand voor je weggaat," sprak Sint Nicolaas met zoo ernstige stem, dat de jongen zijn hand al gelegd had in die van den bisschop, voor hij het eigenlijk wist.
"Er gebeuren vanavond wonderen met je, mijn jongen! Je holt op je nieuwe fiets onder de maan en de sterren. Je ontmoet Sint Nicolaas en zijn knecht. Je mag een wensch doen."
"Ik wou zoo heel hard rijden, zoo vliegen over den weg, dat niemand zoo gauw gaat als ik," zei de jongen met schitterende oogen.
"Die wensch is je toegestaan," zei Sint Nicolaas. "Niemand zal zóó hard, en zóó snel gaan als jij." Heel zacht en heel ernstig werden de woorden gezegd. En toch was het of de oogen en de lippen van den goeden heilige lachten, alsof hij in zijn schik was, dat hij weer een kind gelukkig maken kon.

Fragment uitTommie, een Sinterklaasvertelling:
't Werd acht uur. Moeder had al een paar maal naar de klok en dan naar Joop gekeken. En eindelijk zei ze: "Sinterklaas is erg laat dit keer. 'k Ben bang, dat je niet op hem wachten kunt. Je moest maar gauw onder de wol kruipen: als je dan morgenochtend wakker wordt, is hij er stellig geweest.
Joop pruttelde wel een beetje tegen, maar toch begreep hij, dat Moeder gelijk had. En al dat wachten en luisteren - en wachten en luisteren, dat viel toch eigenlijk ook niet mee; hij had er slaap van gekregen. En nu bemoeide ook Vader zich er mee:"Hoor je niet, wat Moeder zegt? Bij ongehoorzame kinderen komt Sinterklaas in 't geheel niet!" Toen schrok Joop zóó, dat hij gauw wel-te-rusten zei en gehoorzaam naar bed ging.
En nu slapen, meteen gaan slapen, dan was 't zóó morgen. En dan.... en dan.... Nee, niet gaan liggen luisteren! Hij kneep zijn oogen stijf dicht en trok de dekens heelemaal over z'n ooren....
Maar opeens - daar werd het licht in Joop's kamertje! Zoo licht, dat het door z'n gesloten oogen heen kwam schijnen. Hij deed ze open en zag: niets dan rood en goud! En dat schitterde zoo fel, dat hij ze dadelijk weer dichtknijpen moest. En toen begreep hij meteen, wie bij hem in de kamer was gekomen.
Sinterklaas kwam vlak voor z'n bed staan en knikte hem ernstig toe, net of hij ergens diep over nadacht.
"Ja, ja. Jij bent Johan Sluijters, he? Die jongen, die zoo graag een hond wou hebben."
"Ja, Sinterklaas." Joop zat rechtop in bed, z'n hart bonsde in z'n keel.
"Ja, zie je - Sinterklaas ging op een stoel voor het bed zitten - daar kom ik nu eerst eens met je over praten. - Hou je veel van dieren?"
"O, ja, Sinterklaas."
"En ben je altijd wel goed voor ze?"
"Ja, Sinterklaas."
"Zoo, zoo. En plaag je ze nooit?"
"Nee, Sinterklaas."
"Nooit? Bedenk je eens goed. Daar was van de week een troepje jongens, die met steentjes naar een kat gooiden. - Op de schutting naast je school liep die kat...."
Joop schrok; hij kreeg een hoofd als vuur. Ja, nu herinnerde hij 't zich opeens.
" 't Was maar voor de grap; we wouen hem niet raken, enkel maar eraf jagen," stamelde hij.
"Ja, juist - Sint knikte wijs met zijn hoofd - enkel maar voor de grap, dat dacht ik wel - En dat paard voor die vuilniskar?"
"Een paard?"
"Ja, dat paard, dat je zoo plotseling in 't voorbij gaan aan 't schrikken maakte? Dat dee je zeker ook voor de grap?"
Joop boog beschaamd het hoofd. Nu zei hij liever maar niets meer.