Toen Moeder ziek was

Geschreven door To Hölscher, (1898-1953)
Met platen en bandtekening van Nans van Leeuwen
Uitgever G.B. van Goor's Zonen's U.M. - Den Haag
Boek uit de Bekroonde Keurboeken, eerste serie
Tweede druk 1935
Voor het eerst verschenen in 1929

Wordt vervolgd door: "Toen Moeder beter was"

To Hölscher was Catharina Margaretha Clasina Hölscher (1898-1953). Zij was auteur en onderwijzeres.
Nans van Leeuwen was Ferdinanda van Leeuwen (1900-1995)

Dit boek werd met de eerste prijs bekroond in de prijsvraag voor R.K. Jeugdliteratuur door het R.K. Centraal Bureau voor lectuur. Directeur pater A.B.H. Gielen.

Korte inhoud:
Het Rooms Katholieke gezin bestaat uit Agnes 17 jaar, Netty 15 jaar, Kees 14 jaar, Liesbeth 10 jaar, de tweeling Nan en Hans 8 jaar en de jongste Greetje van 6 jaar. Allen hebben blond haar en blauwe ogen, behalve de kleine Greetje die als enige donker haar en donkere ogen heeft. Zij is erg verlegen en hangt erg aan Moeder.
Als Moeder ziek wordt en naar buiten moet om te kuren, probeert Agnes haar te vervangen, doch dat loopt al snel op ruzie uit. De kinderen gehoorzamen haar niet. Vader besluit nu dat alleen Agnes en de kleine Greetje thuis mogen blijven. De tweeling Nan en Hans gaan logeren bij Heeroom Pastoor op de hei. Liesbeth gaat naar oom Hein en tante Liesbeth, die een boerderij op Walcheren hebben. De nuffige Netty moet naar neef Frans en nicht Doortje, die een bakkerswinkel in een provinciestad hebben. Tenslotte wordt Kees ondergebracht bij zijn deftige peettante Cornelia, een ongetrouwde dame.
Behalve Netty, hebben de kinderen het erg naar hun zin, al moet vooral Kees wel eerst strijd met tante Cornelia voeren om hem niet zo te vertroetelen en als een schoothondje te behandelen.
Nan en de driftige Hans halen bij Heeroom Pastoor naar hartelust ondeugende streken uit. Als de bisschop eens op bezoek komt, pakt Nan stiekem zijn muts met het kwastje van de kapstok om hem eens goed van binnen te bekijken.
Liesbeth krijgt een vriendinnetje, het zigeunermeisje Ini, dat 's avonds optreedt in een circus als acrobate. Groot is haar verdriet als Ini naar beneden valt en sterft.
Netty kijkt neer op het eenvoudige bakkerspaar en weigert in de winkel te helpen. Als vader eens op bezoek komt ziet zij haar fout in en komt alles toch nog goed.
De kleine Greetje intussen mist Moeder zo, dat zij besluit haar te gaan bezoeken. Ze loopt weg van huis en wordt pas 's avonds laat door een werkman langs de spoorbaan gevonden. Hij brengt haar naar de politie, waar Vader al wacht.
Tenslotte komt Moeder tot aller vreugde weer genezen thuis en zijn de ruziemakende kinderen gehoorzaam en verdraagzaam geworden.

Fragment uit het boek:
Het theeuurtje duurde benauwend lang. Cornelis had een gevoel alsof hij examen zat te doen; Tante had duizend vragen, die allemaal correct beantwoord moesten worden: over thuis, z'n school, - zelfs over z'n garderobe.... waar Kees natuurlijk helemáál niet van op de hoogte was!
Toen Tante gescheld had en de binnenmeid 't theegoed had weggenomen, keek hij verlangend naar buiten; hij zou toch wel eens de tuin in willen.... 't Werd hem hier te benauwd.
Maar hij was nog niet van Tante af! Hij moest mee naar z'n slaapkamer; een kamer zó vol mooie, popperige dingen, dat Kees van eerbied op z'n ténen begon te lopen. Daar stond z'n koffer al, die vooruitgestuurd was; en Tante vroeg de sleutel en begon alles uit te pakken.
Gelukkig dat alles er netjes uitzag!
Kees, met al z'n onhandigheid, moest helpen om stapeltjes zakdoeken, kousen en pyama's in de geparfumeerde kast te rangschikken; en z'n ogen puilden haast uit z'n hoofd van verbazing, toen Tante uit een la in de commode een serie roze strikken te voorschijn haalde en die keurig om al de stapeltjes strikte......
Nee maar! Hoe moèst dat nou, als ie 'n schone zakdoek nodig had? Ze leek wel half gaar!
"Ziezo," zei Tante voldaan, toen de kast in orde was. Nu je schoenen. Jongen, wat zwáár zijn die. Je hebt toch kàmerpantoffeltjes, hoop ik, Cornelis?"
"Kàmerpantoffeltjes? O, m'n t....." Hij hield zich nog bijtijds in.
"Nee Tante, die heb ik nog nooit gehad."
"Maar die dien je toch te hebben. We zullen er direct om uitgaan. Dan hebben we meteen 'n mooie wandeling."
'n Mooie wandeling! Hemeltje! Hij zàg zich al!
Tante kleedde zich en ze gingen op weg. Kees liep houterig naast haar met z'n figuur verlegen.
"Geef me toch 'n arm, Cornelis," zei Tante.
Cornelis kreeg 'n gloeiende kleur; maar wat kon hij doen? Hij stak bedeesd z'n arm door die van Tante....

Toen Moeder beter was

Vervolg op "Toen Moeder ziek was"

Geschreven door To Hölscher, (1898-1953)
Omslagtekening van Nans van Leeuwen
Illustraties van Roothciv
Uitgever G.B. van Goor Zonen - 's Gravenhage - Djakarta
Zesde druk 1955
Voor het eerst verschenen in 1935
Leeftijd 12 - 14 jaar

Roothciv was Victor Rudolf Anselm Joubert van Schoonhoven van Beurden.

Korte inhoud:
Het is zomervakantie, de 6 jongste kinderen van het gezin De Graaf gaan naar Zeeland, naar neef Frans en nicht Doortje en hebben een heerlijke strandvakantie. Agnes mag mee met vader en moeder en gaat een reisje naar Brussel maken. Liesbeth zal na de vakantie naar de kweekschool gaan om onderwijzeres te worden. Haar ideaal is om later missiezuster te worden in Indonesië of in de West.
Vader krijgt tegenslag in zijn zaken en komt zonder werk. Nu moet het gezin verhuizen naar een kleine woning in een arbeidersbuurt. Er moet nu zuinig geleefd worden. De kinderen helpen mee, Hans en Nan doen boodschappen voor mensen en verdienen zo wat bij, terwijl Frans Fl. 100,00 wint met een springwedstrijd voor paarden, het inschrijfgeld voor de wedstrijd, Fl. 7,50, leende hij van tante Cornelia.
Alleen Netty vindt hun armoede verschrikkelijk en schaamt zich daarvoor. Pas als Liesbeth met Kerstmis thuiskomt en haar vriendin meeneemt, ziet Netty haar fout in en staat goedmoedig haar kamertje af.
Tante Cornelia biedt hulp aan het gezin en staat haar huis "Villa Cornelia" af, om zelf een appartement in een zustersgesticht te gaan bewonen. Wat zijn ze nu gelukkig in het grote prachtige huis!
En als tante tenslotte ook nog vader een baan aanbiedt, als boekhouder bij een bedrijf, waar tante in geïnteresseerd was, is hun geluk compleet!

Fragment uit het boek:
De kleintjes waren naar bed, toen Vader een ernstig gesprek met de oudste drie begon. Agnes keek dapper, Kees kwaad over het "bokkegezicht" van Net - o, hij kon ze wel sláán - zo te doen! Bah!
"Nu moeten jullie met ons samen beslissen," zei Vader. "Moeder en ik vinden dat het best."
Netty werd rood en keek schuw, angstig op. Nu kwam het. Je zou zien, nu kwam het. Allebei van school, Kees en zij. Allebei in betrekking. O, ze bestierf het. Ze woù niet. Ze zoù niet.
Vader ging rustig door.
"We kunnen weinig verwonen, begrijp jullie wel. We hebben een kleine reserve - en we weten niet hoelang we daarvan zullen moeten leven. Het kàn zijn, dat ik gauw wat vind, maar de tijden zijn moeilijk. Nu kunnen we uit twee huizen kiezen: Moeder en ik hebben ze gezien. Het een is een bovenhuis, wel beknopt maar toch groot genoeg, maar in een mooie straat; en het andere in een héél huisje, met een tuintje vóór en achter, maar - in een arbeidersbuurt."
"Jakkes," smaalde Netty en haar gezicht had weer die lelijke uitdrukking van haar egoïste buien.
Vader werd boos: je zag de aderen op zij van zijn hoofd, die werden rood; maar hij hield zich in: "Denken jullie er nu eens even over na."
"Dat hoeft niet Vader," zei Kees bedaard. "Natuurlijk geen bovenhuis."
Netty vloog driftig op. "In zo'n gemene buurt wonen dan zeker." Ze stampvoette. "O, o! ik wìl niet, ik wìl niet!" Toen viel ze weer op haar stoel en huilde met het hoofd op de armen. Half verstaanbaar klonk het, onder het snikken door:
"Het kan joù niks schelen hè - als jij je tuintje maar hebt - dráák."
"Dat is gemeen!" stoof Kees op. "Het klinkt idioot om het nou te moeten zeggen, waar zij bij zit" - hij spuwde zijn minachting uit in dat woordje "zij" - "maar ik dacht om Moeder en de kleintjes; of je het gelooft of niet, jij - jij dat gaat je trouwens geen bliksem aan."
"Kees! Kees!" riep Moeder. "Het is genoeg jongen." Want Netty had haar hoofd opgericht en staarde doodsbleek naar Moeder; en in haar ogen las die een wereld van zelfverwijt. - God, dáár had ze geen ogenblik aan gedacht en aan de kleintjes dacht ze nu ook niet; maar - Moeder! Moeders gezondheid - ze dact met een rilling terug aan de tijd, toen Moeder ziek was en ze haar vreesden te verliezen.

De Wonderboom

Het sprookje der bevrijding

Door To Hölscher, (1898-1953)
Platen van Hetty Kluytmans, (geb. 1917)
G.B. Van Goor Zonen's Uitgeversmaatschappij N.V. 's Gravenhage - 1947 - Batavia

Voor Jong en Oud

Korte inhoud:
In een klein land, dat lag aan de grote zee, woonde een kleine Koningin, die naar de zon heette: Wilhelmina van Oranje. Toen ze groot werd, trouwde zij met een Prins en kreeg een Prinsesje, dat ze Juliana noemden.
Rondom het paleis waren prachtige tuinen, waar veel bomen groeiden, doch één boom was er mooier dan de anderen. Vanuit haar kamer kon het Prinsesje de boom zien. Hij werd haar vertrouweling en zij vertelde hem alles uit haar leventje. Zij noemde hem haar Wonderboom.
Toen het Prinsesje groter werd, trouwde zij met een Prins uit een ver land, waar bergen en meren waren. Nu gingen de Prins en de Prinses in een ander paleis wonen en zag de Wonderboom zijn Prinses nog maar zelden. Op een dag streek er een voorname ooievaar neer op de kruin van de Wonderboom, hij droeg een gouden kroontje en vertelde dat hij de Koninklijke Prinsessenbrenger was en zojuist een klein Prinsesje gebracht had bij de Prins en Prinses. Het Prinsesje heette Beatrix, dat doet denken aan Geluk. Toen heerste er vreugde in het kleine land aan de zee en vierde men er groot feest.
Na enige jaren bracht de Koninklijke Prinsessenbrenger opnieuw een Prinsesje, zij werd Irene genoemd, wat Vrede betekende. Hij vertelde de Wonderboom ook, dat in het land dat grensde aan het kleine land aan de zee, grauwe gieren woonden, die door boze tovenaars gemaakt werden. Het waren afzichtelijke monsters, die pijlsnel door de lucht schoten.
Op een kwade dag overvielen de grauwe gieren het kleine land en lieten de toverbussen los, die ze onder hun afzichtelijke vleugels hadden verborgen. Zo verwoestten zij het kleine land en werden er vele mensen en kinderen gedood.
De zilveren reigers, die op een mooi groen eiland aan de overkant van de zee woonden, werden gemaakt door grote goede tovenaars. Zij bewaakten hun land en hielden de grauwe gieren in de gaten. Nu was het oorlog in het kleine land aan de zee en de Koningin, die naar de zon heette, vluchtte naar het groene eiland van de zilveren reigers en de Prinses en de kleine Prinsesjes vluchtten naar een heel ver land over zee, waar de grauwe gieren nooit konden komen. De Prins, die een dapper man was, bleef op het eiland van de zilveren reigers.
Op een mooie dag streek opnieuw de Koninklijke Prinsessenbrenger neer op de Wonderboom en vertelde dat hij weer een Prinsesje gebracht had in dat verre land over zee. Zij werd Margriet genoemd, naar de Blijde Bloem. Op een dag zag de Wonderboom vreemde mannen in de tuin van het paleis lopen. Hij sidderde van droefheid en verlangde naar zijn vriendin de Prinses en wilde dat hij een manier wist om haar te helpen. Opeens herinnerde hij zich, dat hij een familielid was van een zeer voorname familie, die prijkte in het wapen van het land, waar de Prinses nu woonde. Toen bedacht hij een plan. Hij liet zijn bladeren groeien en stuurde ze als boodschappers naar dat grote verre land. Eén blaadje vond het machtige verre familielid dat woonde in het wapen van het land en toen duurde het niet lang meer of de dappere mannen van dat land kwamen het arme kleine land te hulp. De toverwagens, die ze mee voeren, droegen allen de afbeelding van het machtige kleine familielid van de Wonderboom dat in het wapen woonde.
De zilveren reigers en de toverwagens joegen nu stralen van vuur en verjoegen zo de grauwe gieren en boze tovenaars uit het kleine land aan de zee, zodat eindelijk de Vrijheid was gekomen. De mensen wezen elkaar op het familieteken van de Wonderboom, dat hun redding bewerkt had.
Nu duurde het niet lang meer dat de goede Koningin, die naar de zon heette, de Prins en de Prinses met de kleine Prinsesjes, die deden denken aan Geluk, Vrede en aan de Blijde Bloem, naar huis keerden en de mensen weer lang en gelukkig konden leven in het kleine land aan de zee.
Dit was nu een sprookje, dat bijna helemaal echt gebeurd is!

Fragment uit het boek:
Gelukkig bezat de goede Koningin ook nog een ander tovermiddel. Het was een klein doosje, dat er helemaal niet bijzonder uitzag. Maar als zij er tegen sprak, bracht het doosje haar boodschap over naar al de toverkastjes, die de mensen van het kleine land in hunne huizen hadden. Zo kon de goede Koningin toch nog spreken tot haar verdrukte volk. Ach ja, dat was wel nodig; want het is niet te vertellen, wat het te lijden had. De boze overweldigers namen vele onschuldige mensen gevangen, en sleepten hen weg en vermoordden hen. Ook namen ze vele jonge mannen mee, om toverbussen voor hen te maken, waarin vuurduivels zaten. Want zij werden hoe langer hoe driester, en ze snoefden dat hun grauwe gieren binnenkort het eiland zouden vernielen, waar de goede Koningin een toevlucht had gezocht. Ja, en de stad van den Koning, die de vriend van het kleine land was, zouden zij wegvagen van de aarde, zodat er zelfs geen gras meer groeien kon. Werkelijk vielen de grauwe gieren met machtige troepen de stad van de Koningin aan, om ze weg te vagen. Maar zij hadden buiten de zilveren reigers gerekend! Die waren toen weliswaar nog niet met velen, maar zij waren dapper en behendig, en zij vlogen de gieren tegemoet. Zij hadden door nood gedwongen geleerd, ook vuur en vlam te spuwen uit hun snavels. En daar zij veel behendiger waren dan de lompe grauwe gieren, doodden zij die bij honderden, zodat ze neerstortten in zee, nog eer ze de stad van den Koning konden naderen. Toch gelukte het enkele gieren, tot boven de stad door te dringen. En zij doodden daar vele mensen en kinderen, en vernielden huizen en kerken. Toen werkten de goede tovenaars dag en nacht door, om meer zilveren reigers te maken dan er grauwe gieren over waren. En alle toverfeeën uit het land hielpen mee.
Toen de boze mannen bemerkten, dat de goede Koningin door haar toverdoosje nog tot haar volk spreken kon en het bemoedigde, werden zij woedend. Zij bevalen, dat alle toverkastjes bij hen moesten worden gebracht. Wie het zijne durfde achterhouden, zouden zij doodschieten.
Toen werden velen angstig, en brachten vol droefheid hun toverkastjes. En de boze mannen lachten, want nu hadden zij de dingen, waarnaar de mensen in hun groot en rijk land verlangden. Toch waren er ook velen, die moediger waren dan anderen, en hun toverkastjes verstopten. Zo konden ze het toch nog horen, als de goede Koningin tot hen sprak en hen bemoedigde. Want dat deed zij: zij vertelde haar volk telkens, hoe hard de tovenaars werkten om zilveren reigers te maken, en nog vele andere tovermiddelen om de grauwe gieren te verslaan.

De Zandmannetjes

Serie leesboekjes voor de Rooms -Katholieke scholen
De Zandmannetjes weer terug
Voor het vijfde leerjaar

Geschreven door To Hölscher
(Catharina Margaretha Clasina Hölscher, auteur, onderwijzeres 1898-1953)
met medewerking van Jan Smeets, hoofd ener R.K. Jongensschool te Kerkrade
Tekeningen van Sierk Schröder
Uitgave van G.B. van Goor Zonen's Uitgeversmaatschappij N.V. 's-Gravenhage - 1944 - Batavia
7e druk

"EVULGETUR"
Roterodami, 26/1 '38 J. Nolet, Pr. l.c.a.h.d.
========================================

Uit het Voorbericht:
Dit deeltje "de Zandmannetjes weer terug", is het tweede van een serie voor de middel- en hogere klassen van de R.K. lagere school, onder verzameltitel: "De Zandmannetjes", en bestemd voor het 5de leerjaar.
Jan Smeets waakte erover, dat de boekjes ook voor jongensscholen geschikt werden.

Februari 1938, To Hölscher.


Korte inhoud:
Belevenissen van een Rooms-Katholiek gezin met 6 kinderen. Jan, Jo, Frits, Corrie, Joost en Pim. De oudste is 11 jaar en de jongste 4 jaar. Pim gaat voor het eerst naar school, Jo krijgt van Moeder een poëzie-album wanneer ze haar sommenboek uit heeft en Vader, Moeder, Oma en haar vriendinnetjes schrijven allemaal een vers erin.
Corrie mag een oude schoolbank kopen en met alle broertjes en zusjes wordt de bank naar huis gedragen.
Vader en de oudste kinderen bengen een bezoek aan Tante Elvire, die zuster is in een gesticht voor blinde kinderen. De jongste kinderen gaan met Doortje, het diensmeisje, op bezoek in het weeshuis, waar Doortje vroeger gewoond heeft.
Jo wint een prijs met een opstelwedstrijd op school en Corrie maakt een weeshuis voor haar poppenkinderen, waar Vader als poppendokter de kapotte poppen opereert.
Als Tante Miep met haar baby Treesje op bezoek komt, wordt zij uit de kinderwagen geroofd door de kinderen en speelt mee in hun Indianenspel. Dit tot grote schrik van Tante en Moeder.

Fragment uit het boek:
Jo was aardrijkskunde aan het leren en Jan plakte plaatjes in zijn nieuwste Verkades album. Daar was hij dol op; hij had al vijf verschillende albums, allemaal even keurig.
Maar om te plakken heb je veel plaats nodig en om aardrijkskunde te leren óók. En als er dan nog een kop thee op tafel staat - wel, dan kun je begrijpen, wat er gebeuren kan.
"Ga toch een eindje weg," zei Jo kribbig, toen ze met haar elleboog op een klevend papier terecht kwam.
"Ga zèlf een eind weg", was Jans knorrig antwoord.
Jo hield haar elleboog in de hoogte en wou het papier er af trekken; ze stootte aan de tafel, de theekop wankelde - viel om - óver een stapeltje plaatjes.
"Stommerik!" schreeuwde Jan, in zijn woede, en gaf Jo een gevoelige opstopper.
"Au!" riep ze, maar Jan was al bezig van de plaatjes te redden wat er nog te redden was. Jo begon te huilen. "Valsaard!" snikte ze. "Nou, nou," kalmeerde Moeder, die zoiets gehoord had en eens kwam kijken. "Jo, haal eens gauw een doekje, gauw."
Moeder raapte de boeken bijeen. Jan foeterde woest. "Die stommerd."
"Nou nou, dat is zo'n mooi woord niet," zei Moeder bedaard. Jo bracht een doek: Jan vloog met zijn boeltje naar boven. Daar zag hij Jo's boeken op haar tafeltje liggen - het rode poessiealbum stak helder af tegen de bruine kaften. Opeens viel hem iets in. Hij griste het album mee. Hij zoù ze.
Even later prijkte er in het mooie, dierbare boekje het volgende hatelijke rijmpje:

Wat zal ik schrijven op dit blad?
Mijn zus dat is een echte kat.

Hij grinnikte in zichzelf. Op het blaadje ernaast tekende hij een heel valse kat, met lange klauwen, en zette er onder: Jo Zandman.
Ziezo. Dat hàd ze ervoor. Hij herhaalde: "Nèt goed, nèt goed."
Maar gek - het deed hem opeens geen plezier meer, dat rijmpje. Hij gooide het album dicht en bleef stil voor zich uit zitten staren.
De bui was haast over........