Piloot Paul

Door Gerard Smit, (geb. 1909)
Omslag en illustraties van Rein van Looy, 1910-1994)
Uitgave A. Roelofs van Goor - Meppel, 1948

Korte inhoud:
Sergeant-majoor Paul van Arkel is gemobiliseerd op vliegveld Waalhaven. Begin mei 1945, komen zijn jongere broer Arnold en zijn vriendje Jan, die bij hun oom op een hoeve vlakbij het vliegveld logeren, hem een brief van moeder brengen. De jongens vinden het prachtig om in de hangar Pauls G.I. toestel te zien staan. Als de jongens weg zijn, ontdekt Paul dat er suiker op de grond ligt bij zijn machine. Hoe is dat daar gekomen?
Die nacht breekt de oorlog uit. Vliegveld Waalhaven wordt gebombardeerd, Jan en Nol kunnen het zien vanuit het dakraam van de hoeve. Paul ontdekt dat er verschillende toestellen onklaar zijn gemaakt, doordat er suiker in de motoren is gestrooid! Hij betrapt de verrader luitenant Vlasschaert en een gevecht volgt. Voordat hij bewusteloos neervalt, weet hij nog te voorkomen dat ook zijn vliegtuig onklaar wordt gemaakt. Zijn kameraad "rooie" Pietersma vindt hem en brengt hem weer bij. Ze besluiten samen te blijven en stijgen samen op in Pauls toestel. In een luchtgevecht weten ze een Duits toestel neer te schieten.
Jan en Arnold zien het gevecht en zijn erg ongerust over Paul. De boerderij wordt nu ook gebombardeerd en het is te gevaarlijk om er te blijven. Aldus gaan ze, samen met oom Johan proberen Rotterdam te bereiken, waartoe ze de Maas zullen moeten oversteken. Het wordt een gevaarlijke tocht, waarbij Jan gewond raakt aan zijn arm, gelukkig slechts een vleeswond. Tot hun blijdschap horen ze onderweg van een militair dat Paul nog leeft en met z'n vliegtuig in noordelijke richting vertrokken is, met Pietersma als boordschutter.
Tijdens een hevig luchtgevecht van 2 Hollandse G.I. toestellen met 3 Messcherschmidts en 2 Heinkels, raakt Pietersma zwaar gewond en moet Paul doorvliegen naar vliegveld De Kooy bij Den Helder. Daar wordt Pietersma naar het hospitaal gebracht en vertelt Paul aan de overste dat er op Waalhaven gesaboteerd is door Vlasschaert, waardoor geheel Waalhaven vernietigd is.
Op 11 mei zijn Jan en Nol, na een gevaarlijke tocht van Rotterdam-Charlois naar de rechter Maasoever samen met bootsman Van Straten, weer veilig thuis. Doch dan volgt op 14 mei het bombardement op Rotterdam, waarbij hun huis wordt verwoest, maar ze het er gelukkig levend vanaf brengen. Kort daarna volgt de capitulatie en wijkt Paul in convooi met zijn toestel naar Engeland uit. Hij is intussen bevorderd tot adjudant-vlieger van de Koninklijke Marine.
Paul neemt dienst op een Catalina-vliegboot als luitenant-vlieger en raakt in gevecht met een Duitse U-boot, die het onderspit delft. Op de terugweg wordt zijn toestel neergeschoten en moet hij, samen met zijn vriend Allan Colley, per parachute het toestel verlaten. Colley is zwaar gewond, doch samen bereiken ze het reddingsvlot, waar ze worden opgepikt door een Duits verkenningsvaartuig. Nu zijn ze krijgsgevangenen!
Dit duurt gelukkig niet lang, want al snel worden ze gered door een motortorpedoboot, waar bootsman Van Straten, die na zijn vlucht met Jan en Nol over de Maas, naar Engeland is overgestoken en daar bevorderd is tot sergeant-constabel, nu het bewind voert. In een Schots kustplaatsje worden ze aan land gebracht, waar Allan in het ziekenhuis zijn zuster Eveline, die daar verpleegster is, ontmoet. Paul wordt in het gezin van Allans ouders opgenomen en na verloop van tijd verlooft Paul zich met Eveline.
In december 1943, vliegt Paul als passagier met een speciale missie, terug naar Nederland. Er moeten documenten en instrumenten naar Den Haag worden gebracht. Boven de Veluwe wordt hij gedropt. In Rotterdam krijgt hij bescherming van leden van een ondergrondse knokploeg. Op straat wordt hij echter door de verrader Vlasschaert herkend, die hem vervolgens achtervolgt. Dat wordt opgemerkt door de verzetsmensen die hem als lijfwacht zijn toegewezen. In een park wordt Vlasschaert, in het landsbelang, geliquideerd. Paul kan zijn documenten nu veilig afleveren en brengt daarna nog een kort bezoek aan zijn ouderlijk huis.
Via radio Oranje krijgt hij in geheimcode de melding dat hij op het IJsselmeer door een watervliegtuig zal worden opgepikt om terug naar Engeland te vliegen. Dit bericht is echter onderschept door de Gestapo en verschillende kostbare mensenlevens gaan verloren, alvorens Paul en ook Pietersma aan boord van de Lockheed-Zeeverkenner kunnen komen en veilig naar Engeland worden teruggebracht.
Na D-Day zijn Paul en Pietersma ingedeeld bij Bomber Command, in een engels squadron van de R.A.F. Allan Colley is hun flight-commander. Tijdens een luchtgevecht raakt de machine onklaar en springen ze boven Frankrijk uit het toestel. Paul verliest het bewustzijn en wordt in een bos door Duitsers gevonden, die hem willen doodschieten, doch juist op tijd weet Pietersma hem met behulp van een Fransman te redden. Hij wordt in een klooster opgenomen. Pietersma sluit zich aan bij het franse verzet, totdat ze bevrijd worden door de Amerikanen.
In juni 1945 komt Paul weer thuis, samen met zijn vrouw Eveline en kan hij eindelijk vertellen wat er allemaal gebeurd is, sinds hij het huis verliet.

Fragment uit het boek:
Plotseling was er, op een echt-gezellige avond bij de Colley's, een ordonnans gekomen met de boodschap dat Paul onmiddellijk bij zijn commandant moest komen. Terstond was hij, achter op de motor, met de ordonnans meegereden.
Zijn chef had geglimlacht, toen hij Paul zijn opdracht had gegeven: "... In 1940 wilde je naar Rotterdam, maar toen kon je dat niet. Nu er bevelen, documenten en instrumenten naar Den Haag gebracht moeten worden, heb ik dadelijk aan jou gedacht, van Arkel. Wie komt dit uitstapje meer toe dan jou met zulk een uitstekende staat van dienst? Daar komt echter bij, dat we een man zoeken, die geschikt is voor deze tocht, die niet alleen een uitstapje zal zijn, want hiervoor is vereist koelbloedigheid, moed, tact en... uiterste voorzichtigheid. Dus... jij bent onze man en wordt hedenochtend vier uur in Nederland verwacht. Burgerkleren kun je op deze bewijzen bij Madison's uitzoeken. Hier is Hollands geld, stamkaart, persoonsbewijs en verder alles wat je nodig hebt. Uiterlijk twee uur vannacht moet je hier terug zijn en zul je de laatste bijzonderheden vernemen. Het is welhaast onnodig te zeggen dat je niets bij of aan je moogt hebben, waaruit zou kunnen blijken, vanwaar je komt. Enfin, de details laat ik geheel aan je eigen inzicht over. Hoofdzaak is dat je slaagt.
Na zijn bezoek aan het kledingmagazijn, is Paul weer snel naar de Colley's teruggegaan, waar men even verbaasd opkijkt, nu hij in burgercostuum verschijnt. Natuurlijk is Eveline erg bezorgd als ze hoort, dat Paul naar Holland moet, want ze begrijpt heel goed, dat de gevaren talloos zijn. Weer glimlacht hij, nu hij denkt aan de ijver van het gezin, toen ze allen kwamen aandragen met goede gaven voor zijn thuis, waar misschien honger is. Het kleine handkoffertje, dat hij bij zich heeft, zit vol met heerlijkheden.
Dan wordt zijn gedachtengang echter gestoord door de stem van de piloot: "Alles O.K.? Ze wachten op u. Hebben geseind, dat alles veilig is."
"Ben gereed," antwoordt Paul en er is blijdschap in zijn toon, hoewel hij niet weet, wat hem te wachten zal staan.
"Antwoord, dat ze moeten stoppen met seinen, daar anders gevaar van peiling te groot wordt."
Steeds meer daalt de machine, die zich nu boven de Veluwe bevindt. Alleen boven Rotterdam hebben ze wat afweervuur gehad, maar het is onschadelijk geweest, daar het slecht gericht was. Daar beneden staan twee auto's met vol licht. Dus op dit gedeelte van de verkeersweg, die nu uitgestorven is, zullen ze moeten landen bij het licht van de zo juist opgekomen maan en de autolichten....
Deze piloot heeft echter reeds meerdere malen zulke kunststukjes volbracht en is ook daarom nu wéér hiervoor uitgekozen. Hij wacht alleen op herhaald knipperen van het licht, als teken, dat de mensen, die bij de auto's horen, vertrouwd zijn. Is echter de S.D. op de één of andere manier hier achter gekomen, dan zullen zowel Paul als de piloot verloren zijn, maar daaraan denken de twee mannen niet.
Even later flikkeren de lampen en daarna duikt de Defiant. Laag scheert hij over de toppen van de dennen en... dan staan ze op vaderlandse bodem. Terug na 3 1/2 jaar... Tijd voor bespiegelingen heeft Paul niet. Nu moet er gehandeld worden. Het begin van zijn opdracht. Hij drukt zijn collega dankend de hand en klimt uit het vliegtuig.
Drie gestalten komen uit het bos tevoorschijn.
Vaster klemt Paul zijn automatische revolver in de hand, klaar om zich te verdedigen, als het nodig is.
"Leve Oranje... Leve Nederland," klinkt het hem dan tegemoet en de greep om zijn wapen wordt losser, want deze uitroep klopt met de overeengekomen begroeting, althans voor het eerste gedeelte daarvan.
"... en het Verzet," is zijn antwoord, "Wachtwoord?"
"Schone-schepen-schipper!" klinkt het nu terug.
"Scheve-schijven-schuurder," roept hij glimlachend.
"O.K."
De begroeting klopt precies. De voor buitenlanders zo moeilijke "Sch's" hebben beide partijen zo onmiskenbaar Nederlands gezegd, dat ze het wederzijds wantrouwen, zo bitter hard nodig uit een oogpunt van voorzichtigheid, nu laten varen.
Snel verrichten de mannen van het verzet hun werk, laden alle meegebrachte pakken en zendtoestellen vlug op één der auto's en helpen dan de nachtjager starten, zodat het toestel weer precies op de minuut in de lucht is.
Daarna brengen enkele leden van de verzetsploeg hem naar een boerderij, waar hij moet wachten, tot de spertijd verstreken is.