Max en Maurits

Een jongenshistorie in zeven streken

Door Wilhelm Busch
Naar de 81ste uitgave bewerkt door T. van Buul, (1877-1960)
Uitgever Gebr. kluitman - Alkmaar, 1922

Vertaling van: Max und Moritz - 1885

Wilhelm Busch, (Wiedensahl, 15 april 1832 - Mechtshausen, 9 januari 1908), leerde oorspronkelijk voor ingenieur, maar werd later kunstschilder. Hij produceerde meer dan duizend schilderijen, doch werd beroemd door zijn buitengewoon grappige en verrassend modern getekende verhalen, die zich laten lezen als een strip. Deze werden gepubliceerd in de Fliegende Blätter.

De zeven streken:
Eerste streek: Max en Maurits vangen de kippen van Juffrouw Bolte met stukjes brood, die met touw aan elkaar vast zijn gemaakt. De kippen vliegen zich vast in de boom, waar ze door Juffrouw Bolte uit hun lijden worden verlost.
Tweede streek: Juffrouw Bolte wil de kippen gaan braden, maar terwijl de weduwe even in de kelder is hengelen Max en Maurits de kippen door de schoorsteen omhoog. Het hondje Spits krijgt de schuld.
Derde streek: Kleermaker baas Bok is nu het slachtoffer. Max en Maurits zagen het houten bruggetje voor zijn huis bijna door, waardoor de arme kleermaker in de ijskoude beek belandt.
Vierde streek: Schoolmeester en kerkorganist Lampe steekt nietsvermoedend zijn pijp aan als hij thuiskomt uit de kerk. Max en Maurits hebben er tijdens de kerkdienst buskruit in gestopt... het resultaat laat zich raden.
Vijfde streek: Nu is Oom Frits aan de beurt. Hij wil gaan slapen, maar daar komt weinig van terecht doordat Max en Maurits zijn bed hebben volgestopt met meikevers.
Zesde streek: Deze keer loopt het bijna verkeerd af. Max en Maurits gaan krakelingen stelen bij de bakkerij. Helaas vallen ze in de deegbak, juist op het moment dat de bakker weer terugkomt. De bakker bakt twee broodjes van de deegmannetjes; maar als ze uit de oven komen blijkt dat ze nog leven en ze knagen zich een weg naar buiten.
Laatste streek: Max en Maurits hebben het gemunt op boer Verhagen: ze snijden gaten in de graanzakken. Als de boer de zakken naar de korenmolen wil brengen, stroomt het graan eruit. Maar de boer krijgt hen te pakken. Hij stopt de kwajongens in een zak en brengt die naar de molen. Max en Maurits worden tot gruis vermalen en de restanten worden door de ganzen opgegeten.


Toen dit onheil was gebeurd,
heeft geen mens daarom getreurd.
- Juffrouw Bolte, steeds zoo zacht,
zei nu: "k Had het wel verwacht." -
- "Ja", riep Bok, "je ziet hoe 't gaat:
"straf volgt altoos op het kwaad." -
- Met een knik sprak meester Lampe:
"Voortaan kan 'k weer rustig dampen." -
- "Waarom," klonk de stem des bakkers,
"waarom snoepten ook die rakkers?" -
- Zelfs oom Frits, de goede man,
sprak: "Ja, ja, dat komt ervan!" -
- 't Boertje alleen zweeg stil, en lachte.
"'k Kreeg ze klein!" was zijn gedachte. -

Kort en goed: in heel het oord
werd een danktoon slechts gehoord.
Iedereen sprak aan hun graf:
- "Van het kwaaddoen zijn we af."