De man die vertellen kon

Door B. V. Zwegers
Geïllustreerd door Nans van Leeuwen, (1900-1995)
Uitgever L.C.G. Malmberg - 's Hertogenbosch, 1935
Met keurmerk voor Roomse Jeugdlectuur

Verhalenboek met 10 verhalen:
Er was eens
Wat de stormwind vertelde
De ijsbloemen
Sprookje van de sneeuw
Kerstmis
De lantaarns van Sint Jozef
De reis van de zonnebloem
Het heksenbos
Het engeltje dat sterren omlaag gooide
De witte ster

Fragment uit: Het engeltje dat sterren omlaag gooide
Het was avond geworden en gelukkig bijna tijd om te gaan slapen. Ons engeltje was nog niet aan de beurt om naar bed gebracht te worden en zat zich nu zo'n beetje te vervelen op een wolkbankje voor de grote slaapkamerdeur. Zo net waren de sterretjes aangegaan; ze blonken als goud tussen de witte wolken.
Daar opeens..... had je dat gezien? Opeens pakte het engeltje het sterretje, dat het kortste bij was, en gooide het omlaag, naar de aarde toe. Dat spelletje beviel hem; het stond op, greep weer een sterretje en..... ffft...... daar vloog het achter het eerste aan. Toen nog een en nog een! het engeltje lachte en klapte in de handjes van pret. Want het had gehoord, hoe de sterretjes onder op de aarde "pliets-plats-ploens" deden. Gewis waren ze in het water gevallen, in een meer of in een rivier. Misschien wel in de zee. En weer greep het een goud-fonkelend sterretje, haalde flink uit, zo ver zijn armpjes reikten.... gooide en ging meteen op de teentjes staan, om te zien waar dàt zou neervallen. Het zag nog net, hoe een grote berg met een witte baard van ijs, het sterretje opving.
Maar op dat zelfde ogenblik draaide het engeltje zich verschrikt om, want het had iemand aan horen komen en aan de zware stappen herkende het Sint Petrus. Snel probeerde het zich te verstoppen achter een wolk, maar Petrus had het al te pakken bij de mouw van zijn zijden hemdje en trok het achter de wolk uit.
"Wat doe je daar?" vroeg hij streng.
Het engeltje keek naar zijn roze teentjes, maar zei niets.
"Wat je gedaan hebt, wil ik weten."
Het engeltje zweeg, liet het blonde lokkenkopje hangen en stak een vingertje in 't mondje van diepe schaamte en verlegeheid. Sint Petrus werd boos. Hij vatte het engeltje bij de arm en schudde het eens flink door elkaar.
"B.....engeltje!" riep hij, "waar heb je de sterretjes neergegooid?"
"D.....aar," snikte engeltje-bengeltje en wees met 'n nat vingertje omlaag, naar de aarde.
"Zo!" barstte Sint Petrus los en zijn lange baard bibberde van boosheid op en neer, "daar...... nou, jij bent me een mooie engel hoor. Een lieve engel, werkelijk dat moet ik zeggen. Maar wacht maar, Bengel!" en opnieuw schudde hij het engeltje heftig dooreen, "nu ga je maar eens dadelijk naar de maan toe en vertel daar alles wat je gedaan hebt."
Graag ging het engeltje niet, maar er zat niets anders op. Dus schoorvoette het naar de maan toe en vertelde al snikkend de ongelukkige geschiedenis met de sterretjes. De maan zag erg bleek; de goede oude maan vond het héél erg wat het engeltje gedaan had. Zij kon niet begrijpen, hoe iemand zo'n domme dingen kon uithalen. Zij hield ook zoveel van al haar sterretjes en maakte zich bezorgd, wat er met hen gebeurd was, die omlaag getuimeld waren.
"Hoor eens hier," sprak zij het engeltje aan, "ik zal je eens wat vertellen. Wat men weggegooid heeft, moet men weer oprapen. En daarom ga jij morgenvroeg naar de aarde toe en zoek me daar al de sterretjes weer bij elkaar. En waag het niet in de hemel terug te komen, voordat je ze allemaal gevonden hebt."
Sjonge, sjonge, dat viel engel-bengel niet mee. De ganse aarde rondlopen om sterretjes te zoeken! O! wat zouden zijn beentjes moe worden van die wandeling! Maar als de maan iets gezegd had, dan hielp er geen tegenspreken aan, want de oude nachtwacht was zeer gezien in de hemel. Dat wist het engeltje wel, en met hangend hoofdje drentelde het terug; het was meer dan tijd om naar bed te gaan.
De volgende morgen echter werd het engeltje met de eerste de beste zonnestraal naar de aarde gezonden, om de gevallen sterrtejes bijeen te zoeken.