Op de grote heide

Geschreven door Anne de Vries
Leesboekje voor het lager onderwijs
Tekeningen van Tjeerd Bottema
Uitgever G.F. Callenbach - Nijkerk, 1937

Fragment uit het boekje:
Het was koud op de hei, vréselijk koud!.... De wind blies uit het Oosten. De scherpe wind sneed Gijs in zijn wangen en kneep hem in zijn neus. Gijs zijn wangen werden nòg roder. En zijn neus werd blauw. Maar dat hinderde niet. Want Gijs zijn oren zaten lekker onder de dikke muts. En zijn voeten zaten in warme klompen. En Gijs had ook dikke, warme kleren aan. Neen hoor, Gijs was helemaal niet bang voor de kou.
Het was een lange tocht over de wijde, witte hei. Maar dat hinderde óók niet. Want er was zoveel moois, om aan te denken. Er waren zoveel heuveltjes, om er af te glijden. Gijs was aan de rand van de heide, vóór hij het wist.
Toen dwaalde Gijs rond tussen de kerstboompjes. Hij wilde het mooiste boompje zoeken, het allermooiste! En dat duurde heel lang........ Maar eindelijk had hij het toch gevonden. Toen moest Gijs het kappen met zijn kleine, stompe bijltje. En dàt duurde ook heel lang..... Maar eindelijk had hij het tòch gekapt.
Hij was er warm en moe van geworden. Hij legde het boompje op de slee. Hij bond het vast met een touw. En toen ging hij even op de rand van het sleetje zitten, om uit te rusten.
Toen zag Gijs pas, hoe mooi het hier was.


De grote veenbrand

Geschreven door Anne de Vries
Illustraties van Tjeerd Bottema
Uitgever G.F. Callenbach - Nijkerk, 1937
Leesboekje voor het lager onderwijs

Fragment uit het boekje:
De worsteling werd Jaap haast te zwaar. Hij was wanhopig, omdat hij zo slecht opschoot. En de rook werd zo verstikkend zwaar, hij werd er misselijk van. Het sneeuwde as, hij proefde het op zijn tong. Hij voelde ook weer dat rare gedraai in zijn hoofd..... Hij zou zich graag ergens aan vastgehouden hebben. Hij stond stil voor een hevige hoestbui en drukte een hand op zijn borst, zó erg deed het daar pijn......
"Waar komt toch die hitte vandaan?".... dacht hij opeens, terwijl hij weer voortsukkelde. Hij wreef zijn ogen uit. Toen zag hij vóór zich in de rook een gele vlam, alsof het bliksemde in een donkere wolk. En meteen werd hij meegerukt door het schaap, de zandwal op. Aan de andere zijde verloor hij het evenwicht, viel.... en gleed langs een schuine helling in de wijk..... Het schaap plonsde naast hem neer. Hij dacht nog: "Ik moet het bij me houden!.... Het mag niet afdrijven naar het midden!..... En hij greep het dier en drukte het tegen de kant. Hij lag zelf op zijn knieën op de bodem en het water kwam tot onder zijn armen. Hij moest weer zo vreselijk hoesten.... Toen voelde hij ineens, dat al zijn kracht wegvloeide uit zijn lichaam. Hij greep zich vast aan de kant, hij drukte zijn gezicht hijgend tegen de wal, in gras en mulle aarde, om de verstikkende rook te ontgaan. Het koude zweet brak hem uit.... Hij voelde zich hoe langer hoe slapper worden.....

Jaap en Gerdientje

Geschreven door Anne de Vries
Illustraties van Tjeerd Bottema
Uitgever G. B. van Goor Zonen - 's-Gravenhage, 1939

Het boek bevat vier delen:
Eerste boek: Jaap en Gerdientje
Tweede boek: Toen Moeder ziek was
Derde boek: De wonderslee
Vierde boek: Tussen bos en boerderij

Leesboekjes voor het Christelijk Onderwijs vanaf 1937.

Korte inhoud:
Dagelijkse belevenissen van de twee vriendjes Jaap van der Heide en zijn vriendinnetje Gerdientje. Jaap woont op een boerderij met Vader, Moeder, kleine Zus, Gijs de knecht, Duimelot Jaap's sikje en Puk Jaap's hondje. Gerdientje's ouders zijn naar Indië vertrokken om daar als zendeling te gaan werken en Gerdientje woont nu in het bos, bij haar grootouders, waar haar grootvader de boswachter is. Jaap krijgt een klein broertje en ook een vriend: Polleke. Hij is de zoon van de voddenman en loopt met een stok. Als Polleke door andere jongens geplaagd wordt, helpt Jaap hem en zo sluiten ze vriendschap.


Fragment uit het eerste boek: Jaap en Gerdientje
Wat bromt daar zo?
O kijk, daar komt een auto aan. Een grote, zwarte auto. Met een band van witte en zwarte blokjes. Er zit een man achter het stuur. Die heeft een mooie zwarte pet op. Een stijve pet met een zwart glimmende klep. En achterin zitten nog meer mensen: een meneer en een mevrouw. En ook een meisje.
Jaap kijkt met grote ogen. Hij ziet hier nooit een auto.
Kijk, hij rijdt heel langzaam. O, hij blijft stil staan, dicht bij Jaap.
De meneer draait het raampje open. Hij roept: "Hei jongen, kom eens hier!"...
Jaap schrikt er van. Hij komt langzaam dichterbij.
De meneer vraagt: "Is dit de weg naar het bos?" Hij wijst op de zijweg.
Jaap knikt hard met zijn hoofd. Hij is wat verlegen.
"Is het nog ver?" vraagt mevrouw.
Jaap schudt van neen. O neen, het bos is dichtbij. Hij is er vaak geweest.
Het meisje lacht.
"Kun jij niet praten?" vraagt zij.
Jaap wordt nog meer verlegen. Hij zegt maar niets.
"Hoe heet jij?" vraagt ze weer.
"Jaap," zegt Jaap zacht.
"Ik heet Gerdientje," zegt het meisje.

Fragment uit het tweede boek:Toen Moeder ziek was
"Jaap!" .... riep een stem.
O, dàt was de stem van moeder! .... Helemaal achteraan lag zij. Dicht bij het raam!....
Jaap holde erheen.
"O moeder!" riep hij.
Moeder sloeg haar arm om hem heen.
"Maar jongen," zei ze, "hoe kom jij hier?.... En kijk eens, daar is Gerdientje ook!"....
"Wij komen bramen brengen," juffrouw," zei Gerdientje.
"Weet vader er van?" vroeg moeder.
"Nee moeder," zei Jaap.
"En jouw grootmoeder, Gerdientje?"
"Nee juffrouw."
"O kinderen!".... zei moeder. "Ben je dan zó maar weggelopen?"...
Jaap vertelde alles. Moeder vond het niet goed, wat ze gedaan hadden. Maar ze was toch heel erg blij.
"Moeder," vroeg Jaap, "waar is broertje?"..
"Die is op een andere zaal," antwoordt de moeder.
"Wij hebben ook bramen voor hem meegebracht," zei Gerdientje.
Moeder lachte. "Dat is heel lief," zei ze. "Maar broertje kan nog geen bramen eten. Die krijgt nog alleen maar melk."
"Dan eet u ze maar allemaal op," zei Jaap. "Want bramen zijn gezond"...

Fragment uit het derde boek:De wonderslee
"Kijk," zegt Polleke, "hier is mijn slee. Ik heb hem net klaar."
Achter het huisje staat een kist. Een grote, platte kist met twee balkjes er onder. Er is een bankje in getimmerd. En de hamer ligt er nog bij.
"Heb je dat zelf gedaan?" vraagt Jaap. "Nou, dàt is knap, hoor! .... Maar waar moet je nou duwen?"
"Ik duw hem niet," zegt Polleke. "Ik span de honden er voor."
"De honden?"...
"Ja zeker! Wil je het zien?.... Cora, hier!.... Max, kom!"...
De honden springen al om hem heen. Eén gaat tegen hem op staan. Dan is hij net zo groot als Polleke zelf. Maar de jongen lacht er om. Hij hinkt naar de schuur en haalt het tuig. Hij doet het de honden aan. Hij maakt het vast aan een grote haak, vóór in de slee.
Hij heeft ook een lang touw. Dat knoopt hij aan de halsbanden.
"Dat zijn de leidsels," zegt hij.
Dan klimt hij in de slee. Hij zit op het bankje, net als een boer, die twee paarden ment.
"Vooruit!" zegt Polleke. De honden blaffen. En daar gaat het. Eerst het erf af,... dan het laantje in. Hoe langer hoe sneller gaat het. En Polleke verdwijnt om de bocht.
O, Jaaps ogen schitteren! Zó'n mooie slee heeft hij nog nooit gezien!...

Fragment uit het vierde boek:Tussen bos en boerderij
Eindelijk, daar kwamen ze aan!....
Kijk, Jaap stak zijn hand op. Hij maakte een paar malle sprongen. Hij rende hard naar zijn moeder toe.
"Hallo, Moeder!" riep hij. "Wij zijn verhoogd, hoor! Alle drie! Nu zitten wij in de vierde klas!"...
"Gelukkig!" zei Moeder. Zij gaf Jaap een zoen. En keek zó blij!....
Daar waren Polleke en Gerdientje ook al.
"Wel kinderen, wat is dat fijn voor jullie!" zei Moeder. "Kom maar gauw binnen, hoor!"
En kijk, wat stond daar op de tafel?.... Een grote fles limonade en een schotel vol koek!
"Nu is het feest," zei Moeder. "Dàt hebben jullie verdiend."
Ze dansten met Zus door de kamer van plezier.
Gijs en Vader kwamen ook al aanlopen.
"Ik hoor het al!" riep Vader. "Wel gefeliciteerd, hoor jongens!"
"Nu zitten wij in de vierde klas!" zei Jaap trots.
"Wel, wel, wat worden jullie knap!" lachte oude Gijs. Toen keek hij heel slim en vroeg: "Vertel me nou eens... Wàt moet ik zeggen: De haan ligt een ei, òf de haan legt een ei?"...
En Gerdientje liet zich foppen. Die riep: "De haan legt een ei, natuurlijk!"....
Wat hadden ze een schik!....

Ons eigen Leesboek


Methode voor het eerste leesonderwijs in Suriname

Door Anne de Vries
Met illustraties van Corrie van der Baan, (1915-1997)
Dijkstra's Uitgeverij Zeist N.V.

Uitgegeven 1955 - 1962:
1. Het boek van Loes
2. Het boek van Loes en Ram
2a Loes haalt rijst
2b Loes en Ram gaan naar school
3. Het boek van Loes en Ronald
4. Het boek van Tom de hond
5. Het boek van oude nanie
6. Het boek van de nieuwe jongen
7. Het boek van de verjaardag
8. Het boek van de vakantie

Goedgekeurd door een op 6 Februari 1953 ingestelde Redactiecommissie, samengesteld als volgt:
A.F. May - voorzitter, W. A. Leeuwin, A.A.S. Nurmohamed, en A.J. Rayman - leden - en K.R.S. Coleridge - vertegenwoordiger van het Departement van Onderwijs.

Belevenissen van Loes, Nohar, Toekiman, Ram en zijn zusje Shanti, Ronald, Sita, Erna, Frank en Tom de hond.

Fragment uit deel 5: Het boek van oude Nanie, 3e Druk, ca. 1960


Naar Nanie
Het is één uur. De school gaat uit.
Al de kinderen gaan naar huis.
Nanie staat op de loer.
Bij de hoek van haar huis.
Zij heeft haar stok in de hand.
Nanie denkt: De school gaat uit.
Nu komen de kinderen er aan.
Die kinderen zijn zo stout!
Ik wacht, tot ze voorbij zijn.
Ik pas op mijn manja-boom!
Kom er eens aan, als je durft!
Ik zal je slaan, met mijn stok!
Ik sluit je op in de schuur!
Pas maar op!

Daar komt een troep kinderen aan.
Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht!
Gaan ze voorbij?
Nee, ze gaan het erf op!
Ze staan bij de manja-boom!
Nanie wordt zo boos!
Wacht maar, zegt Nanie, ik zal ze wel!
En daar komt zij aan, zo vlug als zij kan.
Zij zwaait met haar stok.
Zij roept: Ga weg, ga weg!
Wat moet je op mijn erf?
Wat moet je bij mijn manja-boom?
Vooruit, stoute kinderen!
Maak dat je weg komt!
Ik sla je met mijn stok, hoor!
Ik sluit je op in de schuur!

Maar, kijk, wat is dat?
Ze gaan niet weg.
Ze zijn niet bang voor Nanie!
Ze gaan nog meer het erf op.
Een jongen loopt voorop.
Die jongen heeft een ruiker.
Die steekt hij Nanie toe.
Hij kijkt wel een beetje bang.
Maar hij zegt toch flink:
Nanie, dit is voor u.
En een meisje heeft een doos.
Die geeft zij ook aan Nanie.
Zij zegt: Dit is ook voor u, Nanie!
Kijk er maar eens in!

Nanie weet niet, wat zij ziet.
Zij zegt: Voor mij? Voor mij? ...
Is dat heus voor mij?
Maar ... maar ... waarom doe je dat?
Zij pakt de ruiker. Zij pakt de doos.
Haar stok valt op de grond.
Zij kijkt in de doos.
En dan lacht Nanie.
Zij zegt: O, kijk eens! Een bol en nòg een bol ... En toffee en swietie.
O, wat lekker, wat lekker!
Is dat heus voor mij? Kinderen, kinderen, waarom ben je zo lief voor mij? ...
Wat is die Nanie blij!
Zij lacht. En er is toch een traan op haar wang. Zij lacht en huilt ook een beetje.
Zó blij is die oude Nanie!
Nanie zet de doos in huis. En de ruiker ook.
Dan komt zij weer op het erf.
Zij zegt: Kom mee, dan krijg je wat van mij.
Wil je een manja?
De kinderen zeggen: Graag, Nanie!
Nanie kijkt naar Ronald.
Zij zegt: Jij bent al zo groot.
Klim jij maar in de boom.
Pluk maar voor elk een manja, hoor!
En dat doet Ronald. Dan gaan ze weer weg.
Nanie loopt mee tot de heg.
Zij zegt: Je bent erg lief voor mij, hoor!
Dank je wel, kinderen!

Wij en de Wereld

Bloemlezing voor Surinaamse scholen


Samengesteld door Anne de Vries
Met medewerking van Surinaamse leerkrachten
Geïllustreerd door Corrie van der Baan, (1915-1997)
Dijkstra's Uitgeverij Zeist B.V., 1957-'58

Goedgekeurd door een bij beschikking van 18 februari 1956 als volgt samengestelde redactie-commissie:
A.A.R. Cameron - voorzitter, G. van der Kuyp, W.A. Leeuwin, A.A.S. Nurmohamed en A.J. Rayman - leden en J. Ten Meer - vertegenwoordiger van het Departement van Onderwijs.

Deel 1 Eerste helft 2e leerjaar)

Ranie ziet een konijntje
Op een keer was Vader op jacht geweest. Hij had een konijn thuisgebracht. Dat legde hij in de schuur achter het huis.
Ram was naar school, maar Ranie was thuis. Zij ging het konijntje bekijken. Het was zo mooi en zacht. Zij streelde het met haar handje.
Donie kwam er ook bij. Die begon te blaffen. Hij pakte het konijn vast en sleepte het over de grond.
"Niet doen, Donie!" riep Vader. "Blijf eraf, dat is niet voor jou."
Hij joeg de hond de schuur uit en deed de deur dicht. Donie sprong nog een paar keer tegen de deur op, maar die ging niet open. Toen ging hij bij de schuur liggen slapen.
Vader ging naar zijn werk. Moeder was ook bezig. Ranie liep een beetje om het huis en toen zag ze opeens nog een konijntje. Dat was niet dood. Het rende hard langs het huis. Ranie holde er achteraan. Waar was het konijntje nu? O, kijk, het zat bij de drempel en nu sprong het door de deur naar binnen.
"Mama, Mama," riep Ranie, "een konijn, een konijn!"
"Ja, Ranie," zei Mama. "Het konijn is in de schuur. Straks zal Vader het slachten en dan zal ik het braden. Dan gaan we het lekker opeten."
"Niet in de schuur," zei Ranie. "Konijntje in huis."
Moeder lachte. Wat was haar meisje nog dom!
Maar Ranie pakte Moeder bij de hand. Ze trok haar mee.
"Kom maar," zei ze. "Konijn in de schuur en ook konijntje in huis. Klein konijntje met een lange staart."
"Met een lange staart?" vroeg Moeder. Nu werd ze toch nieuwsgierig.
Ze ging met Ranie het huis binnen. Rrrrrt, daar rende iets door de kamer. Het verdween onder het bed.
"Kijk Mama," zei Ranie, "konijntje."
"Dat is geen konijntje, dat is een rat!" riep Mama. "Bah, die vieze rat. Hoe krijg ik hem daar vandaan?"
Ze liep naar buiten om een stok te zoeken. Maar er lag geen stok.
Donie werd wakker. Hij rekte zich uit en keek naar Moeder. Waarom liep de vrouw zo hard heen en weer? En waar was Ranie?
Donie liep langs het huis. Opeens begon hij te blaffen. De haren op zijn rug gingen rechtop staan. Hij rook iets. Hij rook een boos dier.
Donie had een beste neus. Hij kon ruiken waar het dier langs gelopen was. Hij kwam bij de deur en sprong naar binnen. Daar lag Ranie op handen en voeten voor het bed. Zij keek eronder. In een hoekje zat de rat. Ranie kon er niet bij. Maar Donie wel. Die vloog onder het bed en greep de rat in de nek.
De rat gierde het uit. Maar Donie hield goed vast. Hij gromde van kwaadheid en beet de rat dood.
Daar kwam Moeder binnen met een stok.
"Waar is dat beest?" riep ze. Donie legde het voor haar voeten. De stok was niet meer nodig. Wat was Mama blij!
Ranie stak haar handje uit. Zij wilde de rat strelen. Maar Moeder trok haar terug.
"Niet aankomen," zei ze.
"Papa slachten," zei Ranie. "Mama braden. Lekker opeten."
"O ba nee!" riep Mama. "Een rat is veel te vies!"
Zij pakte het beest bij de staart en droeg het naar buiten.
"Vader zal het dier begraven," zei ze. "Net als de slang."

Aftelrijmpje

Onder de tamarinde
daar lag een groene slang.
Toen kwamen zeven kinderen,
die waren heel niet bang.
Ze sleepten hem met een reuze vaart
naar achter aan zijn lange staart.
Zij liepen hun beentjes krom,
maar plotseling keerde de slang zich om
en keek naar jou, naar hem, naar mij....
En riep toen hard: "Jij bent erbij!"