Afke's tiental

Geschreven door Nienke van Hichtum,
(pseudoniem van Sjoukje Bokma de Boer, 1860-1939)
Illustraties door C. Jetses en J.H. Isings Jr.
Dertigste druk
Uitgeverij Kluitman - Alkmaar
Voor het eerst uitgegeven in 1903

Afke's tiental is gebaseerd op het leven van Harmke Feenstra-Tuinstra uit het dorp Warga. Haar dochter was dienstmeisje bij Nienke van Hichtum.
Het is het verhaal over een arm gezin met 10 kleine kinderen, dat leefde aan het einde van de 19e eeuw op het Friese platteland. Door de zorgzaamheid van moeder Afke werd het een gelukkig gezin, waarin men heel veel voor elkaar over had.

Hoofdpersonen:
Moeder Afke, Mem, de spil van het gezin
Vader Marten, die tot 'savonds laat in het braakhok werkt
Watse, de oudste zoon van 18 jaar, die al soldaat is
Wiepkje, de oudste dochter van 16 jaar die in Leeuwarden bij een mevrouw dient
Eeltje van 14 jaar
Jouke van 12 jaar
Klaas van 10 jaar, die van zijn petroleumcenten een warm schort voor moeder bij elkaar spaart
Jetse van 8 jaar, die ondeugende streken uithaalt
Bouke van 6 jaar, en
Sietske van 4 jaar, de twee kleine meisjes, die elke dag 12 pennen moeten breien
Wiebe van nog geen twee jaar, die nog in de kinderstoel zit
Sipke, de pasgeboren kleine pop
Saapke de baker
Ate Jetske de buurvrouw

Fragment uit het boek:
Nu werd eerst het schone ondergoed te voorschijn gehaald, en de grote verkleedpartij begon. Tot mijn spijt moet ik zeggen dat er geen sprake van was, dat het lichaam van de kinderen gewassen werd. Alleen de voeten werden flink met zeepsop onder handen genomen. Wiepkje hielp de kleintjes en de groteren redden zichzelf. De jongens trokken hun schoon goed aan in de bedstee, en deden daarbij zorgvuldig de deuren dicht. Maar telkens werden die plotseling even opengegoooid, en dan vloog er een vuil kledingstuk door de kamer. Een er van kwam in een tobbetje terecht, waarin Wiepkje juist bezig was, kleine Sietske's voetjes te wassen. Wiepkje pruttelde even, maar gelukkig niet zo héél erg! Och - 't waren immers jongens, en gooien was jongensaard!
Eindelijk was 't kleine goedje onder de wol. Vader ging uit om zich te laten scheren en Eeltje en Jouke zaten te lezen, elk aan een kant van de kachel.
Maar Wiepkje had het druk. Ze goot een ketel kokend water uit in een tobbe, die in 't portaal stond, en deed er zoveel koud bij, als nodig was. Daarin werden nu de broeken van alle jongens te week gezet; - ook Jouke moest de zijne afstaan; - en meteen alle sokken en kousen.


Illustratie van J.H. Isings jr.
Met groene zeep werd eerst alles fris uitgewassen en daarna de broeken met zwarte verf afgeborsteld. Nu was alles schoon, maar - 't moest de volgende morgen weer droog zijn! De sokken werden in de oven gelegd, en de broekjes kwamen voor en boven en óm de kachel te hangen. Gelukkig dat er genoeg turf was. Want de kachel moest nu de hele nacht doorbranden!
De nare, benauwde lucht van al dat opdrogende goed verspreidde zich door de kamer. Moeder begon er van te hoesten en de kinderen sliepen onrustig. Maar vooral Wiepkje, die 't in haar dienst zo fris en ruim gewend was, had er veel last van. Toch klaagde ze niet; want ze wist dat er niets aan te doen was.
Toen zette ze nog vlug 't vuile goed in 't water en 't werk voor die avond was gedaan. Nu maar gauw naar bed, want morgen moest ze alweer vroeg aan 't kousen stoppen.
"Nacht Mem!" klonk het hartelijk en Wiepkje verdween in 't keldertje onder Moeders bedstee, bij de kleine meisjes; want op de zolder, waar ze gewoonlijk sliep als ze een nacht thuis logeerde, was 't in deze tijd veel te koud. Er waren twee pannen van 't dak gewaaid en de huisheer kwam er maar niet toe, die er weer op te laten maken. - En zo sliepen ze dan met hun elven in één benauwde kamer, waar de geverfde broekjes en de drogende sokken een stiklucht verspreidden.....


Illustratie uit Afke's tiental van C. Jetses