Sven's Avonturen in het hooge Noorden
Een Wintersprookje

Door M. C. van Oven van Doorn (* den Helder 1885)
Illustraties van Rie Cramer
Uitgave van W. de Haan - Utrecht, 1928

Korte inhoud:
Toen Maarten 6 jaar oud was, vroeg hij voor Sinterklaas, "iets levends". Op Sinterklaasavond werd er een pakje gebracht, waarin zich een klein kaboutertje bevond. Maarten had al twee kabouters: dokter Olle en zijn vrouw Trude. Het nieuwe kleine kaboutertje moest hun zoontje worden en Maarten noemde hem Sven.
Precies een week later werd er een klein zusje geboren en kreeg Maarten tot zijn grote blijdschap toch "iets levends". Maarten bouwde voor zijn zusje een Kerstpaleis van zijn blokkendoos, waar dokter Olle, Trude en Sven op visite mochten bij de sneeuwkabouters en daar Kerstfeest vierden.
Drie jaar later bouwt Maarten weer een Kerstpaleis voor zijn zusje, maar nu één van sneeuw! Op 24 december wordt daar het grote kabouter-Kerstfeest gevierd en zelfs de kabouterkoning van het witte ijsland in het verre Noorden, arriveert met zijn slede om met zijn 2 zonen, de kabouterprinsen, het feest te komen meevieren.
De kabouterkoningin is ziek thuisgebleven, en de kabouterkoning vraagt of dokter Olle en Sven met hem mee willen gaan naar het verre Noorden om de koningin weer beter te maken. Dokter Olle wil niet mee, maar hij vindt wel goed dat Sven meegaat. Hij geeft hem een flesje mee, waarin een kruidendrankje zit, om de koningin beter te maken. Zo vertrekt Sven, nadat de kabouterkoning belooft heeft hem in het voorjaar weer terug te zullen brengen. Hij neemt zijn kleine zilveren schaatsen mee.
Als Maarten en zijn zusje Sven de volgende dag niet meer kunnen vinden, zijn ze heel erg verdrietig.
Intussen is Sven in de hoge ijsburcht van de kabouterkoning aangekomen en geeft de koningin het drankje van dokter Olle. Nu wordt zij snel weer beter. En wat is iedereen nu weer blij! Er wordt een groot feest gevierd en Sven gaat schaatsenrijden met de prinsen op het spiegelgladde meer.
Zo gaan de dagen voorbij, totdat er vanuit het zuiden een ijsvogel komt aangevlogen, die vertelt over een ver Kerstpaleis, waar het nu donker en stil is, nadat er een klein kabouterjongetje was vertrokken. En van een klein mensenkind dat schreide, omdat hij de kleine Sven niet meer kon vinden.
Nu wil Sven naar huis, en de koning brengt hem terug. De sneeuw is inmiddels verdwenen en Sven wordt neergelegd in de groene tuin, onder de bloeiende sneeuwklokjes. Klein zusje vindt hem daar. Wat zijn Maarten, zijn zusje, dokter Olle en Trude nu weer blij!

Fragment uit het boek:
Toen het donker was, ging Maarten naar buiten, en hij stak alle waxine lichtjes in 't Kerstpaleis aan, en ook zijn electrische zaklantaarn met het roode lichtje.
En binnen ging hij naast klein zusje voor het groote tuinraam staan en ze drukten hun neuzen plat tegen 't glas. Daar stond hun witte tooverpaleis; een zacht licht straalde door de hooge boogvensters en door de groote poort naar buiten, en 't was alsof de witte sneeuw den zachten schijn weerkaatste; overal glinsterden en tintelden de sneeuwkristallen. Rood licht straalde uit de groote ronde feestzaal met zijn wijde vensters; daar stond de hooge Kerstboom, en daaronder, in een witte leunstoel van sneeuw, zat dokter Olle; hij had de beenen recht voor zich uit gestrekt en staarde naar boven, en al de kabouterkinderen zaten op den grond om hem heen en keken hem aan, want dokter Olle vertelde een Kerstsprookje uit het verre oude kabouterland.
Boven, in den hoogen toren van het witte droomenpaleis, luidde de Kerstklok..... ting-tang..... ting-tang..... maar nu waren het niet meer Sven en Pir en Peter, die aan het zilveren koord trokken; die waren beneden, in de feestzaal, zij leunden tegen dokter Olle's stoel en luisterden naar het Kerstverhaal, en boven, op den hoogsten torentrans, stond Albo, de sneeuwkabouter; hij leunde met den rug tegen den toren, en met één hand luidde hij het zilveren klokkenkoord; maar de andere hand hield hij boven de oogen, en peinzend zag hij uit in het wijde, verre sneeuwland.
Weer ruischten de klanken van de kabouter-Kerstzang, als de tonen van een verre viool.... maar neen, heel ver weg kon die viool nu niet zijn, want wèl klonk de muziek zacht, maar de melodie was helder en duidelijk; en toen Maarten en klein-zusje omzagen, toen stond daar in de hoek van de kamer een kleine Kerstboom; zacht straalden de brandende kaarsjes, die moeder ontstoken had toen de kinderen door het tuinraam naar buiten keken. En naast den Kerstboom stond vader, met zijn viool, en hij speelde een wondermooi zacht Kerstlied, waarin je de wind hoorde ruischen en waarin je de klokken hoorde zingen.
Stil bleven de kinderen staan, en toen het lied uit was, toen werden de kleine stoeltjes bijgeschoven, en ieder kind kreeg een van de aardige, zilveren mandjes, die daar onder den Kerstboom stonden, vol mandarijntjes en noten en appeltjes. En vader schoof zijn leunstoel dicht bij den Kerstboom en vertelde de geschiedenis van den Kerstnacht.

Allermerkwaardigste
Avonturen van de
Aardige
Aapjes van
Admiraal
Adrianus
Apekolio


Alfabet voor Allen

Door M. C. van Oven van Doorn (* den Helder 1885)
Tekeningen van Rie Cramer
Uitgave G. B. Van Goor Zonen's U.M. - Den Haag, 1935

Korte inhoud:
In 26 hoofdstukken, in de volgorde van het alfabet, met van iedere letter zoveel mogelijk woorden als beginletter, worden de avonturen van twee aapjes verteld.

Fragment uit Hoofdstuk 1 - Aanvang van het Alfabet
Admiraal Adrianus Apekolio, Apollolaan acht Amsterdam, at juist zijn achtste appeltaartje toen er een auto kwam aanrijden met een arrogante akrobaat uit Amerika, die den admiraal twee aardige aapjes aansmeerde.
Met de aapjes op de arm arriveerde de admiraal in de achterkamer.
De aspirant-adelborst Albertus, afstammeling van den admiraal, vond dit een aangename afleiding, hij aaide de aapjes en vroeg of ze abrikozen aten.
De admiraalsvrouw zei: "Apekool, ze krijgen afval van aangebrande aardappelen met azijn."
Maar de admiraal antwoordde: "Allemaal abuis, apen eten altijd apenoten."
Asjeblieft!
Maar alras kreeg de admiraal argwaan dat zijn aardige aapjes allebei aartsdom of allerverschrikkelijkste apenkoppen waren. Ze aten de aardbeien en amandelen van het avondeten op de admiraalstafel, en ach, ook van de ansjovis en de augurken konden ze niet afblijven. En toen admiraal Apekolio een avond afwezig was, braken de aapjes een achtkantig aquarium van antiek aardewerk, een albasten amazone en nog allerlei andere artikelen.
Afgrijselijk!
De admiraalsvrouw aanschouwde de aangerichte averij met afschuw en adviseerde den ademlozen Apekolio de aanvallige afbrekertjes allebei aan Artis aan te bieden.
Aangezien de aapjes de admiraalsvrouw aan akelige albedil vonden, maakten ze achter de aalbessenstruikjes in de achtertuin arglistig een afspraak om op avontuur uit te gaan.

Fragment uit Hoofdstuk 11 - Kabaal op de kermis
Intussen koerste de kranige koetsier naar de klapbrug en de krantenman betaalde den koetsier met kwartjes.
Onze kameraden klommen uit de karos en kuierden naar de kermis, waar kakelende kermisgangers in kleurige kledij dooreen krioelden en een krankzinnig kabaal maakten.
Onze kwieke kereltjes keken naar kunstenmakers en koorddansers in kakelbonte kostuums met klatergoud, naar een kaatskampioen, naar kwezelende komedianten, naar een kerel met een kameel en naar Kokkadorus, den kwakzalver, waarvan ze kokertjes met kiespijnkruidnagelen kochten; maar toen ze bij een koekkraam een kersverse krakeling en een krentenkoek kaapten, kwam er een kwibus van een kok, die onze kroeskoppen een ketel, een Keulse kan, een koekepan, een karaf en ander keukengerei naar de kop keilde, en een klerk, die een kwetsuur bekwam, begon met een kameraad te kibbelen en te krakelen, waarbij ze elkaar knarsetandend voor "kaffer!" en "kanalje! " uitkreten, waarover een kwast van een kapper krokedillentranen vergoot.
Kort daarna klonk het klokkespel van de klokketoren, en de krantenschrijver kronkelde met zijn koddige kameraadjes door het kruisvuur naar een oud kasteel, waar de kastelein ze kadetjes en karnemelk gaf, en een kamenier met een kornet bracht ons klaverblad met een knetterende kaars in een koperen kandelaar naar een kraakzindelijke kamer.
En aan een kneuterig klein klaptafeltje krabbelde de krantenman kolommen vol over al die kolossale kolder en zond de kopy aan zijn krant.

Fragment uit Hoofdstuk 19 - Schipbreukelingen
Sinterklaas speurde eens naar de schreiende stumpers, schoof zijn stoel achteruit, zette ze samen op schoot, streelde ze, en sprak met sympathieke stem: "Wat scheelt er aan? " En onze sjofele slokkers stotterden snikkend over het gestrande schip, stamelden dat ze geen schavuiten waren, geen slechtaards, maar ze spaarden zich niet, schaamden zich over hun schanddaden, en smeekten of Sinterklaas ze niet in de steek wilde laten?
Stil soesde Sinterklaas en hij slikte eens en stuitte de stroom van schuldbetuigingen; en stilaan besteeg Sinterklaas zijn stokpaardje.
Hij strafte niet, hij schimpte niet, hij gaf geen standje, geen sermoen, geen stichtelijke speech, dat was zijn systeem niet, maar zijn stokoude ogen straalden en schitterden, en hij sprak de stouterds toe; als ze spijt hadden over hun streken, hun stomheden, door schade en schande wijs, dan zou Sinterklaas alles schikken, dan mochten onze schalken studeren in Sinterklaas z'n school; geen sommen en spelling, maar steenkool scheppen; schoonmaken met schuier en stofzuiger; met schimmel uit de stal stappen en over stellages steigeren; door de schoorstenen strooien met schuimpjes, sukade en suikergoed; sierlijk speelgoed en snoezige snuisterijen, schaakspelen, stoommachientjes, schuiftrompetjes, schildersdozen, serviesjes, schetsboeken en speeldoosjes uit de schuifladen halen en afstoffen; maar niet snuffelen, en geen sikkepitje snoepen van de speculaas! en schalks schudde Sint de schepseltjes bij de schouder.
En als Sinterklaas ten slotte per speciale Spaanse snelvliegdienst naar Schiphol startte, dan mochten stellig onze snuitertjes ook instappen, en als surprise zou hij ze op Sinterklaasavond in de schoen stoppen van den schout-bij-nacht (sedert tot admiraal gestegen).

Fragment uit Hoofdstuk 26 - Zo eindigt de zotheid
Daar zaten onze zeehelden op een zielig stukje ijsschots dat zeker gezwind zou zinken. Maar zes zachtmoedige zeemeerminnetjes zagen kans, ze een zeilbootje te bezorgen dat juist zeilree lag.
Zo zeilden zij zeer lang over de zeeën.
Zodoende zagen onze zwaarbeproefde aapjes na hun zonderlinge omzwervingen Zijne Excellentie admiraal Apekolio terug. En zelden was de oude zeebonk zo zielsverheugd geweest als bij het weerzien van zijn zotte aapjes, die zo wat bezwijmd waren; maar dank zij de zorgvuldige zorgen van de aanzwermende zeelui en dank zij wat zoete melk kwamen onze zwervelingen zienderogen tot zich zelf.
"Mijn zoontjes!" zei de oude zeerob, en hij zoende zijn langgezochte aapjes en zuchtte van zaligheid, zodat de zachtgeaarde zeelieden hun zakdoeken met zilte tranen bezoedelden.
De zeeschepen zetten koers naar een zeehaven in Zeeland en op de zoveelste zetten onze zielsgelukkige zwervers, met een zwierige zeeanemoon op hun zeemanskiel, de zolen op de zeedijk.
Zijne Excellentie vergezelde ze naar zijn vrouw, die zodra ze onze zwervelingen zag, op haar achterste zolder ging zitten en een zalvende zedepreek hield over zonde en zotternij.
Maar Zijne Excellentie zeide iets over zoetsappig gezemel en "laat maar zwemmen" en zorgde voor een verzoening, en zijn vrouw zegde om zijnentwille toe, een zuster te zullen zijn voor onze zondaren.

Zonnestofjes zweefden door de zonneblinden, een zwaluw zong zijn zomerlied, en het was Zondag.......

Ziedaar de verzamelde zotheden over de zeer zonderlinge zwerftochten van de zwartkopaapjes van Admiraal Adrianus Apekolio.

Ik heb gezegd.