De ernstige lotgevallen van stoute Grietje en Pietje aan de jeugd verhaald door Oom Abraham
Met teekeningen van Daan Hoeksema, (1879-1935)
Uitgave van Gebr. Koster - Amsterdam, 1915
Korte inhoud:
Hun huis was ruim en vol gerief,
Hun boomgaard groot, hun tuin heel lief;
Hen respecteerde in 't dorp elkeen,
Zoo rijk als arm, zoo groot als kleen;
En wilden zij eens wat vertier,
Naar stad was 't maar een groot kwartier.
En 't kroost was vroolijk en gezond,
Zoodat een elk het aardig vond,
Behalve de ouders, want verdriet
Beleefden zij van Grietje en Piet.
Die aten vaak hun bord niet leêg,
Bemorsten 't kleed met vlek en veeg.
Die spraken woorden grof en plat,
Die plaagden dikwijls hond en kat;
En als pa hen verbood of ma,
Dan lieten zij 't volstrekt niet na.
Maar deden in hun stoutigheid
Of niemand hen iets had gezeid.
't Was in het barre jaargetij;
De groote dag kwam naderbij,
De dag, die ieder kinderhart
Vervult met blijdschap of met smart,
Die juichen doet, maar ook, helaas!
Doet weenen, 't feest van Sint Niklaas!