Naverteld door Tante Lize, (E. Dopheide-Witte)
De herkomst van het navertelde verhaal is onbekend, evenals de illustrator.
Tante Lize is Anna Christina Elizabeth Dopheide-Witte, geboren 01-08-1869.
Er worden twee zusjes geboren, een blondje, Maartje, en een zwartje, Klaartje. Maartje is voor het geluk geboren, alles gaat goed in haar leven, doch Klaartje heeft pech en vanaf haar geboorte gaat alles fout voor haar.
Moeder en Maartje missen Klaartje erg en Maartje besluit haar zusje te gaan zoeken. Ze komt diep in het bos bij een oude heks, die haar wil pakken. Maartje vlucht angstig weg, doch de heks achtervolgt haar. Gelukkig valt de gemene heks in het water als Maartje een brug overvlucht en de heks de brug stuk stampt. Dan ontmoet ze een dwergje dat haar wil helpen om Klaartje te gaan zoeken. Ze gaan
naar luilekkerland, waar zij zich door een grote koek heen moeten eten om naar binnen te gaan.

***********************************************************

En heel dicht hier bij de hand
Ligt het zoet Luilekkerland.
Eerst gaan wij daar op bezoek,
Zie je wel dien reuzenkoek?
Nu, daar dien je door te gaan,
Val er dus maar flink op aan!
En 't gelukskind met haar vrind
Treden binnen blij gezind.
O, wat was daar alles fijn,
Bronnen vol met zoeten wijn!
'n Prachtig sneeuwwit tafelkleed
Ligt zoo maar voor hen gereed
En dan rollen borden aan,
Och, waar komen ze vandaan?
Messen, vorken vallen neer
Uit de boomen keer op keer,
Alles goud, en dan de spijzen
Kwamen zoo den grond uit rijzen.
Soep, pastijtjes en gebraad,
Ham en groenten en salaad,
Sinaasappels, druiven zoet,
Taart en tulband, suikergoed
Vielen zoo maar uit de lucht
En het kind denkt met een zucht:
"Was 'k hier maar met zusje Klaar,
Maar ik neem wat mee voor haar!"
En de kleine krullebol
Stopte vlug haar zakken vol.
***********************************************************

De maan scheen helder, de nacht brak aan
En donker werd reeds het woud,
De moeder zat droef op een bankje kleen
Voor 't stille huisje heel alleen.
Daar hoort ze kindervoetjes gaan
En ziet het paartje voor zich staan.
Wat was dat een blijdschap! De moeder weent:
"Nu kinderen, zijn wij weer vereend!"
Ze moeten vertellen hun wedervaren
En waar ze bleven en waar ze waren.
Het poesje roept vroolijk met veel miauwtjes,
"Waar heb je gezeten, zeg, kleine vrouwtjes?"
De kinderen praten maar, honderd uit,
En vragen van alles met blij geluid.
En moeder zegt: "O, als vader vindt
Zijn blonde schat en zijn bruine kind
Wat zal het in huis dan een vreugde zijn!
Maar nu naar binnen, kindertjes mijn!
Er is in ons huisje iets nieuws gekomen,
Daar heb je gewis niet van kunnen droomen!"
De kinderen hupplen het huisje in,
Daar hooren ze een zacht geluid,
In 't wiegje trappelt een kindekijn,
Een lieve, mollige guit.
"O," roepen ze blij, "Hoe fijn, hoe fijn,
Nu hebben we een lief broertje klein!"
***********************************************************
Tekst van Tante Lize, (Mevrouw E. Dopheide-Witte, geboren 1-8-1869)Vertaling van: Was Marilenchen erlebte! Ein neues Bilderbuch von Sybille von Olfers uitgegeven in 1905.
Enige andere prentenboeken van Tante Lize:
Ongeluksvogel en Gelukskind, 1908
De Inktduiveltjes, 1908
Onder het Zwammenvolkje, 1910
Hansje op reis, 1925
Wat de bloemen elkaar te vertellen hadden, 1925
Piepkuikentje wou de wereld in, 1927
Sprookjesboeken van Vader Haas, ca. 1929

Sneeuwblanke kindertjes, lieflijk en rein,
Dalen omlaag uit den hemel,
Groeten Marietje en dansen in 't rond,
Lustig en vroolijk gewemel.
"Ga je, lief kindje," zoo lokken ze zoet,
"Mee naar de Sneeuwkoninginne?
"Neem dan je mof, trek je handschoentjes aan,
"En wil niet lang je bezinnen."
"Graag," roept Marietje met stralend gezicht,
Wenkend hen toe door de ruiten,
"Even geduld, lieve sneeuwvlokjes fijn,
"Dadelijk kom ik naar buiten."

Nu neemt het Sneeuwprinsesje
Marietje bij de hand
En leidt haar in een lusthof,
Een heerlijk tooverland.
Daar bloeien wonderbloemen
Van glinsterend kristal,
Als diamanten flonk'ren
De bloesems overal.
De grond, dien zij betreden,
Is spiegelglad en blank,
Sneeuwwit zijn gras en heesters,
De boomen hoog en slank.

Nu zegt de verstandige Koningin:
"Brengt spoedig de slede voor!
"Marietje, droog jij maar je traantjes af,
"Je gaat naar je Moesje, hoor!"
"Daar staat reeds de slee voor het Sneeuwpaleis,
"Marietje, gaat dat niet vlug?"
Vier ijsbeertjes brengen de kleine meid
Pijlsnel nu naar huis terug.

Daar staat haar Moedertje-lief aan de deur,
Marietje ijlt naar haar toe
En roept: "Ik kom van de Sneeuwkoningin,
Wat is het dáár heerlijk, Moe!"
En het kleine mondje vertelt zo blij,
Van den tocht, dien ze heeft volbracht,
Van de lieve Prinses en de Sneeuwvlokjes klein.
En 't paleis en zijn tooverpracht.
Wat zegt ge wel van zoo'n avontuur?
Ge twijfelt er toch niet aan?
Dan raad ik je, net als Marietje deed,
Eens zelf naar het Sneeuwrijk te gaan!