Door Marie Hildebrandt, (1881-?)Vertaling van: Fifi dégourdi, 1902
Op omslag Droomerland i.p.v. Droomenland
Het boek bestaat uit twee delen:
Ie Deel: De zes gebreken
IIe Deel: De zes gebreken in het Droomenland

In zeker dorpje woonde een kind
Zooals men er zoovelen vindt:
Van binnen met een hart van goud,
Maar ach, van buiten o, zo stout!
Ze had, dat was al vaak gebleken,
Juist, op den kop af, zes gebreken,
Ze was nieuwsgierig, snoepte graag,
Was daarby ook een eerste plaag
En kon zoo schand'lyk slordig wezen,
Dat moeder haar de les moest lezen;
Ook had ze vaak een boze bui
En stond alom bekend als lui.
Haar vlecht was blond, haar jurkje rood,
Men noemde haar de kleine Kroot.
Doch, heb ik licht nog iets vergeten,
Of is, hetgeen ik hier liet weten,
Nog niet voldoende naar uw zin,
Loop dan die zijstraat even in.
De photograaf heeft haar portret
Vandaag juist voor zijn raam gezet.
's Nachts in bed gaat ze naar Droomenland, waar ze in Dwergenstein komt en waar de dwergen haar helpen om van haar gebreken af te komen. De kleine Kroot leert zich schamen voor haar vuile kleren en de dwergen wassen haar schoon.
Als de kleine Kroot op haar fluit blaast, komt de dwergenvader haar te hulp en maait Kroot's vlechtje stuk, zodat de slang los moet laten. In vliegende vaart brengen de dwergen haar nu in een brik terug naar het dwergendorp. Maar als ze toch weer haar snoeplust niet bedwingen kan, zodat ze een pan hete soep over de voeten van de kok gooit, wordt ze uit Dwergenland verbannen.
Nu komt de nacht, de sneeuw wordt dichter,
De kleine Kroot voortdurend lichter,
Ze is spierwit van top tot teen,
De vlokken zwieren om haar heen.
Zoo slaapt ze tot den vroegen morgen,
Diep onder 't witte kleed verborgen,
Ze zit daar warm en wel bewaard,
Als aan den huiselyken haard.
En 't ravental, in wilde vlucht,
Zwermt krassend door de yle lucht.
Hoor, wat ze aan elkaar vertellen,
Die zwarte, dreigende gezellen:
Ze praten over kleine Kroot
Als zy het kind niet meer ontdekken,
Hoever hun blikken zich ook strekken.
Neen, zelfs geen spoortje van haar vlucht,
Noch op de aard, nog in de lucht!
Ze schreeuwen allen hoogst ontsteld,
Waar kan zy toch zyn heengesneld!!
Waar kan het meisje zyn gebleven,
Wie weet is zy nog wel in leven!

Vertaling van TinTin-Lutin, 1897
Door Marie Hildebrandt, (1881-?)
Platen van Benjamin Rabier, (1864-1939)
Geschreven in samenwerking met Fred Isly
Uitgever Van Holkema & Warendorf - Amsterdam, 1908
Kind & Kunstserie VI
Het 1e album voor kinderen van Benjamin Rabier.
Velen zien in TinTin-Lutin een voorloper van TinTin van Hergé

"Ach" zuchtte Piet's papa al meer,
"Begon de burgerschool maar weer,
Wat moet ik met dien knaap beginnen -
Hij blijft geen oogenblikje binnen
En buiten is 't oude lied:
Steeds kattekwaad en anders niet."
Pieter Wipneus' Vacantietijd, de eerste kennismaking met Piet Wipneus is op 15 Juli, wanneer hij de hele buurt in rep en roer brengt door mens en dier te plagen. Voor straf moet hij honderdvijftig regels schrijven.
Op 18 Juli neemt hij het penseel van de in slaap gevallen kunstschilder Muizenval af en beschildert hij een koe.
Op 21 Juli steekt hij een varken een vuurpijl in z'n neus en steekt die af.
Op 26 Juli plaagt hij tante Mien, door haar speldenkussen door een egel te vervangen.
Op 29 Juli legt Piet een dode muis in de roomsaus, waar vervolgens Snorrepot de kat in springt.
Op 1 Augustus hangt Piet een boa in een boom, waardoor men denkt dat het een gevaarlijke slang is.
Op 5 Augustus bindt hij ballonnen aan stukjes brood, die vervolgens door de dieren worden ingeslikt en ze aan de ballon omhoog worden getrokken.
Vervolgens spant hij zijn hond Mop voor een wagen en achtervolgt daarmee een eend, die de vijver in springt, waardoor ook Mop en Piet, met wagen en al kopje onder gaan in de modder.
Op 18 Augustus schiet hij een beer een pijl in z'n kop, knoopt hem in een laken, en brengt hem naar de stad.
Op 21 Augustus gaat hij vissen en stopt een paling in een kous, die aan de waslijn hangt.
Op 24 Augustus redt hij een vissenleven, door de vis met een magneet van de hengel van een slapende man te halen.
Op 25 Augustus gooit hij de laarzen van Joris Bolder in de sloot, waardoor zijn vrouw denkt dat hij verdronken is.
Op 28 Augustus strooit Piet spijkers op het fietspad, doch doordat twee vluchtende varkens hem omver lopen en hij meegesleurd wordt door de spijkers, komt hij onder de schrammen te zitten en scheuren zijn kleren. Nu moet hij naar bed en gaat zijn zonden overdenken, zodat, als de school weer begint, hij een stuk rustiger is geworden en de meester denkt dat hij toch nog goed terecht zal komen.

Bij dit onaangenaam begin
Wordt Piet zoo nijdig als een spin,
Hij is dien morgen zeer kwaadaardig,
Zoo'n booze bui staat hem niets aardig,
Dan ziet hij groen en geel van nijd
En is half dol van kribbigheid.
En poos staat hij op wraak te zinnen,
Loopt dan een ijzerwinkel binnen
En koopt wat spijkers, wel een pond,
Die hij hier neergooit op den grond.
Doch, wie een ander mensch wil schaden,
Wordt zelf heel vaak met straf beladen;
Geen fietsers komen meer in 't zicht,
't Is of ze weten, wat daar ligt...
En Piet verveelt zich een kwartiertje
En wacht en wacht, maar 't helpt geen ziertje;
Juist wil hij echter huiswaarts aan,
Of pijlsnel komt een spoortrein aan,
Met schel gefluit en zóóveel leven,
Dat heel de grond begint te beven.


Door Mevrouw van Osselen - van Delden (1847-1936) en Marie Hildebrandt (1881-?)
Platen van Benjamin Rabier (1864-1939)
Illustraties gedrukt door Bertin & Co.
Kind en Kunst Serie 1
Uitgever Van Holkema & Warendorf - Amsterdam, 1905
Bewerking van: Caramel; Histoire d'un signe, van Benjamin Rabier, 1904
Korte inhoud:
Bobo de aap, woont bij zijn ouders, broers en zusjes in Afrika. Op een dag wordt hij gevangen en meegenomen door een man van Circus Carré en naar Europa gebracht. Daar moet hij tot zijn verdriet in de huishouding werken. Dan wordt hij doorverkocht aan een rijke man, die zijn huis heeft ingericht als in Afrika. Het wordt "Klein-Afrika" genoemd. Hij heeft nog een aap hiervoor nodig en zo wordt Bobo verkocht.
Bobo heeft heimwee naar Afrika, hij verveelt zich en haalt stoute streken uit en jaagt de mensen schrik aan, door op een koord, hoog boven de huizen te balanceren met in zijn hand een paraplu. Hij valt naar beneden en komt in het riool terecht, waar hij stinkend weer uitkomt en door zijn baas wordt uitgescholden als hij thuis komt.
Hij wil het goed maken, door een baby uit een brandend huis te redden. Als dank krijgt hij wat geld van de moeder, dat hij weigert, en een hand van de brandweerman, waar hij heel trots op is.
Het vervelende buurjongetje Toontje, plaagt Bobo, door hem een sigaar aan te bieden, die een stuk vuurwerk blijkt te zijn en laat hem door een list een stuk van zijn staart afsnijden. Bobo voelt zich ongelukkig en zijn heimwee naar Afrika wordt steeds groter.
Arme Bobo, als er op een dag wordt ingebroken en Bobo alleen thuis is, springt hij, om de eigendommen van zijn baas te beschermen, op de rug van de dief. De dief is woedend en rent naar boven het dak op. Daar gooit hij Bobo van het dak naar beneden. Bobo valt op zijn hoofd en als zijn baas op het tumult aan komt rennen, ziet hij nog juist dat Bobo zijn laatste adem utblaast. Dit is het einde van zijn droevig bestaan, Bobo wordt begraven in een grafje dicht bij huis. Toontjes moeder laat een kransje sturen.
Heel ver van hier, in Afrika
In de woestyn, de Sahara,
Leefden met talryk huisgezin
Een zwarte aap en een apin.
En op den zeventienden Mei
Kwam er alweer een aapje by,
De vader sprak op droeven toon:
"Ik weet geen naam meer voor myn zoon,
Wy hebben er nu veertien al,
En 't wordt een moeielyk geval
Om steeds op nieuw weer te beginnen,
Met mooie namen te verzinnen."

Maar moeder sprak: "Myn lieve Jan,
Hoe kun je toch zoo tobben man,
'k Weet honderd naampjes voor myn kind,
Die jy ook zeker aardig vindt,
Myn snoes, myn poes, myn poppedyn
Myn pronkjuweel van de woestyn
Myn engel en myn rottekop
Je bent zoo'n lieve moppedop
Myn lieve kleine hartedief,
Wat ben je mooi, wat ben je lief
Myn lieve dot, wat ben je zwart"
En moeder drukte hem aan haar hart.
Toen riep de kleine zwarte Ko,
"Toe vader, noem hem dan Bobo,
Joes, Pim en Jok verzonnen 't saâm,
En 't is zoo'n echte apennaam."
Nu - zooals Kootje had gehoopt,
Werd 't nieuwe kind Bobo gedoopt.
Bobo werd gauw de lieveling
Van 'd Afrikaanschen apenkring,
Hy was een leuke, slimme rakker
En altyd vlug en altyd wakker;
Het was by voorbeeld ongehoord
Zooals hij danste op het koord;
Daarvoor deed dienst een dikke slang
Van 't echte ras en heerlyk lang.
Doch ach, het einde van zyn jeugd
Was iets dat hem nog jaren heugt.
Hy werd gevangen, vastgebonden
En naar Europa toegezonden;
En met veel and're dieren mee
Verkocht aan 't circus van Carré.
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

"Help!" schreeuwt Bobo nu keer op keer,
De dief schudt hem maar heen en weer
En eindlyk gooit hij met een smak
Het arme dier, pardoes van 't dak..
Bobo valt op de harde straat,
Hy gilt van pyn en weet geen raad,
De buurt is dadelyk in touw
En ook de brave huisjuffrouw
Is wakker nu en jammert luid
By 't zien van d'armen kleinen guit.
Vergeten zyn de dolle streken
Waarmee hy soms haar hart kon breken,
Ze mag hem toch zoo vrees'lyk graag,
Dien kleinen Afrikaanschen plaag.
En ook Bobootjes boezemvriend,
Het zwart en witte hondekind
Komt klagend blaffend by hem staan
En kykt hem maar meewarig aan.
Maar ach - het arme zieke dier
Bemerkt van alles toch geen zier,
Zyn kopje doet hem toch zoo zeer,
En als hy opstaat, valt hy weer.

Nu komt de baas ook by hem staan,
Bobo kykt hem nog even aan,
Doch daarna zakt zyn kop weer neer
En is het arme dier niet meer.
De huisjuffrouw heeft zoo'n verdriet
Als zy dit treurig einde ziet,
Dat niets in 't eerst haar troosten kan
En ook de baas, die arme man,
Huilt tranenstroomen by het gaan
Van d'armen trouwen Afrikaan.
Hy laat het weten by de buren,
Toon's moeder laat een kransje sturen
En Toontje zelf komt even vragen,
Hoe alles zich heeft toegedragen,
Hy voelt zich vreeselyk bezwaard
Door 't grapje der verbrande staart,
Want - was hy soms een erge plaag,
Toch mocht hy Bootje heusch wel graag.
Men delft een grafje, dicht by 't huis
En op dat grafje komt een kruis
En op dat kruisje staat geschreven:
- Hier eindigde Bobo zyn leven,
Hy werd den zeventienden Mei
Geboren in de woesteny,
En stierf een jaar of vier daarna
In 't wel bekend "Klein-Afrika."
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~