Door G. Revers
G. Revers is een pseudoniem van Gerardus Johannes Marinus van het Reve, journalist, (1892-1975). Hij was de vader van Karel en Gerard van het Reve.
Andere kinderboeken van G. Revers:
De Avonturen van Mop en Strop, 1930
De Apen van mijnheer Pimpermeijer, 1932
Harry van Kruiningen is een pseudoniem van Henri Adelbert Janssen, kunstschilder, (1906-1996).
Hij verzorgde eveneens de illustraties bij De Apen van mijnheer Pimpermeijer en De Avonturen van Mop en Strop.
Andere kinderboeken van H. v. Kruiningen:
De tovertuin van Eekje Hoorn, 1947
Eekje Hoorn overwint, 1948
Korte inhoud:
Jonkheer Ferdinand Stribbel woont in een oud kasteel, buiten het stadje Oempama. Op een dag besluit hij met een vliegmachine een grote reis naar warme landen te gaan maken. Hoog boven de wolken vliegt hij, als de vleugels afbreken en dan moet hij, schrijlings zittend op de stang van de motor en de schroef, landen op het ijs van de Noordpool. Pinguins komen aanwaggelen en nemen hem mee naar hun dorp. Hij voelt zich thuis bij de pinguins. Na een week krijgt hij de huid van een gestorven pinguin om zich heen genaaid, zodat alleen zijn hoofd nog te zien is. Nu voelt hij zich één met hen en gaat mee op walvisvangst. In wit bont geklede jagers, nemen Stribbel echter gevangen en geloven niet dat hij een mens is. Ze nemen hem mee naar een groot schip en hijsen hem met een touw aan boord. Hij wordt nu naar een dierentuin gebracht, waar hij als vreemde pinguin een publiekstrekker wordt.
De apen in de dierentuin krijgen medelijden en bevrijden hem. Vervolgens gaat Stribbel naar de stad Olikaka, waar een groot wondercircus staat. Daar ontmoet hij Karel de zebra, die een mensenstem heeft en kan koorddansen. Stribbel besluit het circus te kopen en er als grapjas in te gaan werken, om zo geld te verdienen. Hij maakt liedjes voor Karel, die hij moet zingen en leert de olifanten en leeuwen nieuwe kunstjes. Hijzelf zal gaan optreden als de grapjas "August Stribbel". Spekkie, het varken, wordt beschilderd als een zebra en is nu een "varkenbra" . Zo ook de olifant, die aldus een "olibra" wordt. Karel de zebra danst en zingt, staande op een touw hoog boven in de tent, het lied dat Stribbel voor hem schreef.
Ze hebben groot succes, doch na 4 weken wil Stribbel terug naar huis, naar Oempama. Alle dieren gaan met hem mee, doch onderweg verdwalen ze. De leeuwen en olifanten raken ze kwijt in een bos en ook Spekkie loopt weg. Nu heeft Stribbel alleen nog Bas de hond, en Karel de zebra. Met z'n drieën treden ze nu op en verdienen zo hun geld.
Het wordt een koude winter en Jonkheer Stribbel gaat met Karel en Bas een schaatstochtje maken. Ze hebben prachtige schaatsen met heel grote krullen. Als het plotseling hard gaat sneeuwen, moet Bas op de rug van Karel verder, want de sneeuw komt tot aan hun knieën. Zo komen ze eindelijk bij het kasteel van Stribbel aan en dan blijkt Bas bevroren te zijn. Bij de kachel gelegd, ontdooit hij gelukkig snel.
Door dit avontuur wordt Bas ziek en moet een paar dagen thuisblijven. Stribbel en Karel besluiten mee te doen aan 2 wedstrijden: skilopen en schaatsen. Ze rijden tegen de groenteman en verliezen helaas, daarom willen ze de skiwedstrijd winnen! Daartoe kopen ze een propeller, die ze achterop de rug van Karel binden en zullen samen op heel lange latten gaan skiën, Stribbel voor en Karel met de vin, achter. Ze gaan echter zo hard, dat ze iedereen voorbij vliegen en kunnen ook niet meer stoppen. Ze vliegen over bergen en huizen, totdat de motor stilstaat en ze drie dagen nodig hebben om weer thuis te komen.
Als het kasteel door brand verwoest wordt, trekken ze opnieuw de wijde wereld in en kopen onderweg een boemketeltrom, een trompet en een viool met een opvouwbare strijkstok. Zo zetten ze de reis voort, de Jonker gezeten op de rug van Karel. Met een zelfgemaakt vlot varen ze over de zee naar Afrika, vangen daar 2 witte olifanten en verkopen ze voor 1000 gulden per stuk aan de koning van Siam, trekken door de oerwouden en ontmoeten er apen, door wie ze al snel gevangen worden gehouden. De apen stoppen een cirkel van cocosnoten om hen heen in de grond, die 's nachts heel hard gaan groeien, zodat ze in een kooi van cocospalmen gevangen worden gehouden. Gelukkig worden ze door een kudde olifanten bevrijd.
In een havenplaats vertrekken ze per boot naar China, waar ze in de stad Lien-Kian beschuit met muggenpootjes eten. De chinezen hebben vlechten van soms wel 4 meter lang en de oude Chinees Lie-Hoe vertelt hen over zijn land, zijn volk, de taal en de zijden rupsen. Hij vertelt ook over de "vischmensen", die onder water leven en walrussen als waterpaarden houden. Ze blijven slapen bij de Chinees, doch Karel en Bas moeten in de stal.
De volgende morgen blijken Karel en Bas verdwenen te zijn. Ze zijn naar de markt gebracht en daar verkocht. De Chinezen raden Stribbel aan naar de Chinees met de lange oren te gaan, want die hoort vast wel waar ze zijn. En ja, als deze goed luistert, hoort hij Karel spreken in de bossen van Pjang-Kai. De Jonker gaat nu snel op weg daarheen. Hij moet door een gebied waar veel draken en insekten leven en wordt door een moeraswesp in zijn neus gestoken. De neus wordt zo groot en zwaar, dat Stribbel hem op een kruiwagentje moet voortduwen. Na 2 weken heeft hij Karel en Bas nog niet gevonden en besluit hij naar huis terug te keren.
Thuis gekomen in Oempama, blijkt dat Karel en Bas allang weer thuis zijn! Wat is Stribbel blij!! Hij huilt van blijdschap en heel de stad viert feest. s'Avonds in de raadzaal vertelt Karel op rijm hoe het hem, Stribbel en Bas in China is vergaan.
Fragment uit het boek:
De Jonker begon alvast zijn schaatsen onder te binden, dat was gauw gedaan.
"Kom Karel!...." zei de Jonker, "sta daar nou niet zoo te suffen, trek je schoenen alvast aan."
"Brrrr... wat is het toch koud,
"Ik word zoo stijf als een stuk hout,"
zei Karel bibberend.
"Dan had je óók maar zes jassen aan moeten trekken. Kom, til je voorste voet even op, want anders kan ik je de schaatsen niet onder binden!..."
"Brrrr!..."
"Kijk, kijk, Karel, bijna was je adem bevroren."
"Brrrr.... dat is gewoon niet om uit te houden...."
"Vooruit, laten we maar gauw gaan rijden.... Och, lieve help, mijn tong is al bijna aan mijn lip vastgevroren."
Daar gingen ze heen. De Jonker commandeerde:
"Een... twee.... Een... twee...."
"Ik durf niet," riep Karel.
"Je moet," zei de Jonker, "want als je niet in beweging blijft, vries je dood. Kijk eens, Bas rijdt al rwintig meter voor ons uit."
"Geeft U mij een duwtje baas, komaan,
"Ik kan van de kou niet langer stil blijven staan,"
riep Karel angstig.
"Brrrr... Brrrr..." riepen ze allebei.
"Nu, vooruit dan. Een... twee... links... rechts.... Goed zoo!!... Goed zoo!... Links... rechts... Prachtig... prachtig...."
Na een uurtje kon Karel al schaatsenrijden. Karel zwierde volop, de Jonker achter hem aan en Bas schoot met lange streken vooruit.
Daar stoof de heele familie Stribbel met den wind in den rug over de ijsvlakte.
"Links!... rechts!..."
Het ging prachtig. Af en toe schoven ze met een pijlsnelle vaart onder een brug door. Baanvegers waren er nergens te zien. Het was veel te koud en het was ook niet noodig, want het ijs was spiegelglad.
"Een... twee.... Een... twee...."
"Links... rechts...."
"Bas, ik geloof dat je uit de maat bent," riep de Jonker.
Maar Bas hoorde het niet, want zoo'n schik had hij in het schaatsenrijden.
Ze reden wel een uur of drie en toen kwamen ze op een groot meer terecht. Daar hadden ze heelemaal fijn de ruimte.
Het begon al een beetje donker te worden, maar de drie vrienden reden nog maar steeds vroolijk door. Ze behoefden immers niet bang te zijn dat ze in een bijt terecht zouden komen, want het meer was tot op den bodem toe bevroren.....
"Ik begin een beetje moe te worden, Karel," zei de Jonker .
"Ik heelemaal nog niet,
"Ik ben nog frisch, zooals U ziet.
"Schaatsenrijden is een mooie sport,
"'k Blijf rijden tot het nog donkerder wordt.
"Baas, ik kan het nu zoo goed en vlug.
"Klim nu maar gerust op mijn rug,"
rijmde Karel.
"Dat is een reuze idee," en met een sprong zat de Jonker nu op Karel's rug. Zijn beide armen sloeg hij om Karel's hals en Karel zelf sloeg zijn beide voorste beenen als armen over elkander heen en daar ging het weer.
"Brrrr..."
"Een... twee... Een...twee...."
"Links... rechts... links... rechts...."
"Kijk, daar komt de maan al," lachte de Jonker, en hij begon van pleizier te zingen:
"O, wat is het fijn,
"In de volle maneschijn,
"op zoo'n mooie, gladde baan,
"Zonder een oogenblik stil te staan,
"Zwieren we lustig heen en weer
"Op het dichtgevroren meer!.."
Karel zong hard mee en Bas maakte de raarste geluiden om mee te zingen en als hij de maat had kunnen houden en de wijs, dan zou het vast heel erg mooi hebben geklonken...