Geschreven door P. J. Cohen de Vries, (18??-1924)
Korte inhoud:
Dagelijkse belevenissen van het poesje Mieuw en de hond Kees, die in huis wonen bij Jan en Lientje. Ook de huishoudster Sien doet haar best om het kleine poesje manieren bij te brengen. Mieuw haalt echter allerlei kattekwaad uit en juist als Moeder zegt dat Mieuwtje maar weer terug moet naar vrouw Roelofs, wordt Mieuwtje zelf moeder. s'Morgens als Jan en Lientje opstaan, zien ze in Mieuwtjes mandje een nest van jonge poesjes. Nu moet ze zelf haar kindjes opvoeden en zal het met haar ondeugende streken wel uit zijn.
Eerste fragment uit het boek:
Lientje trok een klein karretje achter zich aan. De pop lag er in, op een lekker zacht bedje en onder een mooi gebloemd dekentje. Pop moest een beetje door den tuin rondgereden worden.
Maar nu ontdekte ze de kleine Mieuw en opeens bedacht ze wat. Nu moest Mieuwtje haar kindje zijn. Ze bracht de pop bij Moeder, die erwtjes zat te doppen.
"Moeder, wil u zoo lang op de pop passen? Ik ga een beetje met Mieuwtje rijden."
Mieuwtje werd op 't zachte poppebedje neergelegd. Dat beviel haar wel, ze rolde zich als een balletje in elkaar en bleef stil liggen. Ook toen ze met de bloemetjes-deken werd dichtgedekt. He ja, dacht ze, zoo lig ik kostelijk. En nu een lekker dutje!
Maar nu pakte Lientje haar bij haar kopje en tilde dat op. "Je hoofdje moet er boven, kindje!" zei ze ernstig.
"Nee, dacht Mieuwtje, "het moet er onder. Zoo, bovenop m'n pootjes. Zoo slaap ik veel lekkerder!" En meteen dook haar kopje weer omlaag.
"Och, kindje!" Lientje was heelemaal verschrikt. "Wat ga je nou beginnen? Zoo zal je stikken!" En weer haalde ze Mieuwtje's kopje boven 't dek. Maar zoodra ze 't losliet, trok Mieuwtje het weer in. "Dat is geen manier van doen," dacht ze. "Ik zou er een stijve nek van krijgen. Me dunkt, dat ik zelf toch wel weet, hoe ik liggen wil." En wip! daar sprong ze het karretje uit en holde weg, zoo hard ze kon.
Tweede fragment:
"Nu dacht ik toch, dat ik de manieren van de menschen wel zoowat kende," begon Mieuwtje op een avond, toen Kees en zij al ieder in hun mandje lagen. "Maar wat ik vanavond nu weer van ze gezien heb, dat gaat mijn katteverstand toch te boven."
"Hebben de kinderen soms gespeeld?" vroeg Kees, die na het eten met den Baas een flinke loop had gemaakt.
"Ik weet niet of ze dat spelen noemen," zei Mieuw. "Maar ik zou voor dat spelen feestelijk bedanken."
Nu werd Kees toch nieuwsgierig. "Wat hebben ze dan eigenlijk uitgevoerd?" vroeg hij.
"Eerst haalde de Vrouw een groote teil met water," vertelde Mieuwtje. "En toen trok ze die arme kinderen zoo maar het vel van het lijf af, 't eene stuk na het andere! En op 't laatst stroopte ze ook nog 't velletje van hun pootjes af!"
"En toen stopte ze ze zeker in 't water," zei Kees.
"Ja, is 't niet vreeselijk?" Mieuwtje rilde nog bij de herinnering.
"Ik verzeker je Kees, ze hadden geen haartje of geen wolletje meer op hun heele lijfje en zoo moesten ze in 't water! Net als die geplukte kip, die Sien verleden weer in de soeppan gekookt heeft. En 't gekste is, ze gilden en schreeuwden niet, ze deden nog net, of ze 't lekker vonden."
"Ze zijn toch niet gekookt?" vroeg Kees.
"Nee, toen ze eruit kwamen, leefden ze nog. Ze waren alleen erg nat en bibberig, maar toen wreef de Vrouw ze gauw weer droog. En toen - je kunt het misschien niet gelooven, maar ik heb 't heusch met m'n eigen oogen gezien - toen kregen ze allebei zoo maar een nieuw vachtje en toen waren ze weer heel! Alleen op hun pootjes, daar kregen ze geen nieuw velletje, maar toen konden ze ook niet loopen. Ze werden door Sien ieder op de beurt in een deken gerold en zoo naar boven gedragen! Begrijp jij daar nu een sikkepitje van?" vroeg ze ongeduldig.
"Zeker wel," zei Kees. "Ik vind er niets bizonders in. Omdat het vanavond zoo koud was, zijn de kinderen beneden bij de warme kachel gewasschen en verschoond. Anders gebeurt dat boven op de slaapkamer, zie je."