Geschreven door Piet van As,
Uit Een woord vooraf:
Op 6 april 1945, een maand voor de capitulatie der Duitse legers, kwam het Georgische bataljon, dat als onderdeel van de Duitse weermacht tezamen met de Duitsers de bezetting van het eiland Texel vormde, in opstand. Alle Duitsers, die binnen hun bereik kwamen, werden verrast en onschadelijk gemaakt, het Duitse hoofdkwartier werd overmeesterd en de Russen namen het heft in handen, daarbij gesteund door de Texelse verzetsbeweging.
Daarmee werd de bloedigste en verschrikkelijkste episode ingeluid in de geschiedenis van dit vreedzame eiland. In zes weken tijds vonden hier 117 Nederlanders, 565 Georgiërs en ongeveer 800 Duitsers een gewelddadige dood, werd een deel van het hoofddorp, Den Burg, in een rokende puinhoop veranderd, gingen tientallen kapitale boerderijen in vlammen op en werd de "Parel der Noordzee" tot een slagveld, gedrenkt in het bloed van vreemde soldaten en van menige van Texels beste zonen.
De heldhaftige opstand der Georgiërs is van de aanvang af een hopeloze, ongelijke strijd geweest. Dat nochtans 235 van hen er het leven afbrachten en na de bevrijding van Texel door de Canadezen naar hun vaderland, Rusland, konden terugkeren, dankten zij niet in de laatste plaats aan de moed en opofferingen van de vele Texelaars, die zich van de bedreigingen der overweldigers niets aantrokken en tot het bittere einde voortgingen met gevaar voor eigen leven de Georgiërs te verbergen en van voedsel te voorzien.
Korte inhoud:
5 april 1945, de 15 jarige Nol Roeper wordt 's nachts wakker van geschreeuw en geweerschoten op het erf van zijn ouderlijk huis, hoeve Zonnegloren bij de dennen. Vader is te werkgesteld in Assen en moeder en zijn zusjes zijn bang en doen niet open als er op de deur gebonsd wordt. 's Morgens vinden ze een dode Duitse soldaat voor hun deur liggen.
Nol gaat naar Texla, het bunkercomplex buiten het dorp Den Burg, om dit te melden. In Den Burg hoort hij dat die nacht de Georgiërs in opstand zijn gekomen. Op een aanplakbiljet leest hij dat alle mannen tussen 17 en 35 jaar zich op Texla moeten melden. Nol besluit dit ook te doen. De Georgiërs zijn nu de baas op Texla en hebben hulp nodig, Nol meldt zich en zegt dat hij 18 jaar is en krijgt een geweer. Samen met Jan Dros krijgt hij de opdracht informatie te gaan brengen naar Den Burg. Dan gaat het mis, samen met een groepje mannen van de ondergrondse worden de jongens opgepakt en op een laadbak van een vrachtwagen gezet. Jan Dros helpt Nol te ontvluchten. Hij weet van de auto te springen en vlucht door een schoolgebouw binnen te rennen.
De Duitsers geven de strijd niet op en als Den Burg zwaar gebombardeerd wordt, trekken de Georgiërs zich terug. Nol en zijn vriend Arie Dijksen keren midden in de nacht terug naar Zonnegloren. De volgende morgen gaat Arie naar huis. Nol gaat later kijken of hij goed is aangekomen en vindt dan onderweg veel Duitse lijken liggen. De hoeve van Arie's ouders is afgebrand en de familie Dijksen trekt nu in op Zonnegloren. Tini, de zus van Arie, vertelt dat ze gehoord heeft dat de gevangenen op de vrachtwagen, naar De Mok baai zijn gebracht. Twee hadden er onderweg nog kunnen ontsnappen met de hulp van Jan Dros.
Als ze de huisraad willen overbrengen naar Zonnegloren, wordt hun platte wagen door de Duitsers gevorderd en worden ze gedwongen mee te helpen de lijken op te ruimen en ze naar de begraafplaats te brengen, waar Nol moet helpen bij het begraven.
Als hij thuiskomt is daar Aai Kikkert van de naburige hoeve "Duinrand", die vertelt dat Jan Dros en de 9 andere verzetsmensen allen gefussileerd zijn op De Mok. Slechts 4 wisten er te ontkomen. Jan Dros heeft ze alle vier geholpen. Machteloze woede maakt zich meester van Nol, een harde trek komt om zijn mond, een jongen werd binnen weinig uren tot een man.
De Duitsers zijn nu in het bezit van het zuiden en de Georgiërs hebben zich in het noorden teruggetrokken. Bij de slag om De Koog wordt Nol gedwongen munitie te dragen.
Als vliegveld Vlijt verdedigd moet worden biedt Nol zich aan. Er wordt hard gevochten en Nol schiet voor het eerst een mens dood. De toestand in de polder is kritiek, iemand moet hulp halen. Nol zal gaan doch wordt bij een nachtelijke sluiptocht door greppels en sloten, gevangen genomen en naar Texla gebracht. Daar wordt hij vrijgelaten omdat hij zegt slechts 15 jaar te zijn. Hij keert naar huis terug.
Tijdens een huiszoeking vinden de Duitsers een Rus, die zich in hun schuurtje verborgen hield. Dit is een zwaar vergrijp! De Rus wordt ter plekke doodgeschoten en de hoeve wordt in brand gestoken. Als de Duitsers vertrokken zijn weten de bewoners gelukkig net op tijd de brand te blussen, Zonnegloren is gered!
Er wordt nog veel bloed op Texel vergoten voordat de eilanders eindelijk kunnen juichen en de capitulatie een feit is. Op 18 mei komen de Canadezen op het eiland en komt Nols vader thuis. Op 20 mei zijn de Duitsers ontwapend en is er feest, talloze verborgen Georgiërs komen nu te voorschijn.
Nol denkt echter aan zijn omgekomen vrienden en huilt voor het eerst.
Fragment uit het boek:
De bewoners van 'Zonnegloren' herademden en de in de grote schuur huizende familie Dros kwam een buurpraatje maken, om te horen hoe het bezoek van de Duitsers aan het woonhuis verlopen was.
Nol stond op het erf en zag, hoe twee soldaten naar het kistenschuurtje liepen, dat achter in de moestuin stond en alleen gebruikt werd om er lege kisten en manden in te bewaren. Plotseling ontstond er tumult.
"Raus!" schreeuwde een Duitser.
"Raus, Russenschwein!"
Het hart klopte Nol opeens in de keel. Wat gebeurde daar? Wat betekenden die woorden? Ze waren slechts voor één uitleg vatbaar en toch... Nol was in geen weken in dat kleine schuurtje geweest. Het werd zelden gebruikt. Alleen in de tijd, dat de aardappelen gerooid werden en het fruit geplukt werd, waarvoor manden en kisten nodig waren, hadden zij iets in het schuurtje te maken.
In de keuken had men het geschreeuw ook gehoord. Moeder kwam ongerust naar buiten lopen, gevolgd door boer en vrouw Dros.
"Wat is er? Wat gebeurt er?" vroegen ze Nol.
Op hetzelfde ogenblik kwam een groep Duitsers door de boomgaard naar het huis. Voor hen uit liep een Georgiër in een haveloos uniform. Hij hield de handen boven het hoofd en maakte een wanhopige indruk. Schichtig keek hij van links naar rechts, alsof hij een uitweg zocht, doch er was geen ontsnappen mogelijk. Voordat hij ëén stap terzijde kon doen, zou een kogel hem al in de rug getroffen hebben.
"Hier, hoe komt die smerige Rus in jullie schuur?" schreeuwde de Gefreiter het groepje op het erf toe. Er blonk een gevaarlijke gloed in zijn ogen en hij keek triomfantelijk naar Nol.
Een Feldwebel kwam met grote stappen aangedraafd en liet zich door de Gefreiter haarfijn vertellen hoe en waar ze de Rus ontdekt hadden. Het gesprek werd op gefluisterde toon gevoerd en ging gepaard met wantrouwende blikken in de richting van het groepje op het erf, dat als versteend het gebeuren gade sloeg.
Dan richtte de Feldwebel zich opeens tot boer Dros. Hij haalde een opgevouwen stuk papier uit zijn zak, dat hij langzaam ontvouwde en gladstreek. Hij duwde de boer het papier onder de neus en voegde hem toe:
"Dit kennen jullie toch wel, hè?"
Het was het alom bekende plakkaat, dat een allerlaatste waarschuwing aan de Texelaars inhield, om onverwijld aangifte te doen van alle Russen, die zich op hun erven verscholen hielden en iedereen verplichtte zelf zijn erf en gebouwen te doorzoeken.
Boer Dros staarde naar de vet gedrukte woorden: